Analyse van een merkwaardig onderzoek…

Is er verschil in tekenvaardigheid tussen kleuters (van 4 jaar) die de ¨perceptuo-motoriek¨- werkwijze volgen en kleuters (van 4 jaar) die de ¨grafocognitieve¨-werkwijze volgen?

Een tweetal bewegingstherapeuten, Antonie Corbey en Wencke van der Lans, heeft zich geërgerd aan het feit dat de Stichting Schriftontwikkeling wijst op uitkomsten van vele onderzoeken dat ‘functioneel oefenen’ op de psycho- of perceptuo-motorische wijze nauwelijks tot geen effect heeft op de handschriftkwaliteit.

Deze twee oefentherpaeuten hebben daarom een eigen onderzoek opgezet om de grafo-cogntieve werkwijze en de perceptuo-motorische werkwijze met elkaar te vergelijken. Daartoe stelden ze zich de vraag van de eerste alinea.
Hun conclusie: het maakt niet uit welke van de twee je gebruikt.

Wat is aangetoond uit dit onderzoek dat je voor het verbeteren van de tekenvaardigheid bij jonge kleuters zowel de grafo-cognitieve werkwijze als de perceptuo werkwijze kunt gebruiken.

We zullen deze conclusie en hun manier van meten en redeneren eens langs de onderwijskundige, handschriftdidactische en economische lat leggen.

Verwijzend naar de website van de Stichting Schriftontwikkeling lezen we:

Bij het zorgvuldig lezen van de website over deze visie komen logische en minder logische argumenten naar voren. (pag. 3)

We zijn altijd blij met gefundeerde en opbouwende kritiek. Een zin als deze hoor je echter toe te lichten. Wát zijn dan die minder logische argumenten?

We stellen vast dat er kennelijk sprake is van een bevooroordeelde houding en dat zegt veel over  de motivatie en het niveau van het verslag van hun onderzoek. Dat kan ook niet anders, want de auteurs zijn belanghebbenden en niet gediend van werkwijzen die met minder kosten meer zouden kunnen bereiken (*Lees in de voetnoot over de kans dat de uitkomsten en conclusies van dit onderzoek correct zijn.) Daarom verbaast ons hun eindconclusie. Als je een zuivere conclusie wilt trekken uit onderzoek, dan moet je niet alleen je onderzoek zo zuiver mogelijk uitvoeren, maar ook de juiste begrippen hanteren en die eenduidig definiëren.

Het begint eigenlijk al met de titelvraag (Is er verschil in tekenvaardigheid tussen kleuters (van 4 jaar) die de ¨perceptuo-motoriek¨- werkwijze volgen en kleuters (van 4 jaar) die de ¨grafocognitieve¨-werkwijze volgen?):

De Stichting Schriftontwikkeling is er niet op uit om de ‘tekenvaardigheid‘ te vergroten. Hiervoor moeten we zijn bij onze collega’s Beeldende Vormgeving of Beeldende Vorming. De Stichting Schriftontwikkeling wil met haar ‘Kleur- en arceerprogramma” niet anders dan de nauwkeurige grafische attitude vergroten, in samenhang met een goede greep en houding. Laten we kijken naar hoe de samenvatting van hun ‘onderzoek’ wordt geformuleerd.

Abstract :

De stichting schriftontwikkeling zet zich in voor het handschriftonderwijs, met name dat op de basisschool. De stichting is er van overtuigd dat de ¨perceptuo-motoriek¨ niet bijdraagt aan de ontwikkeling van de schrijfmotoriek en dat de ¨grafo-cognitieve¨-werkwijze wel de juiste manier is om het handschrift aan te leren.

De post-HBO kinderoefentherapie stelt dat de handvaardigheid en oog-handcoördinatie (perceptuo-motoriek) belangrijke voorwaarden zijn voor het goed kunnen leren schrijven.
Op dat gebied begeven wij ons als kinderoefentherapeut. Met dit toetsend onderzoek willen we dan ook onderzoeken of er verschil is in tekenvaardigheid tussen kleuters (van 4 jaar) die de ¨perceptuo-motoriek¨-werkwijze volgen en kleuters (van 4 jaar) die de ¨grafo-cognitieve¨-werkwijze volgen.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 2 basisscholen (1 in Limburg en 1 in Brabant) in de groepen 1/2. Er zijn 58 kinderen meegenomen in het onderzoek, waarvan 26 in Brabant en 32 in Limburg. Deze kinderen zaten allemaal in groep 1 en zijn in de leeftijd van 4,0 tot 5,0 jaar. De kinderen zijn onderverdeeld in 3 groepen. Groep 1 : ¨grafo-cognitieve¨-werkwijze, groep 2 : ¨perceptuo-motoriek¨-werkwijze en groep 3 is de controle
groep.
Conclusies :
De resultaten geven aan dat na de toets (in dit geval een Non-parametric test), bij p = 0.01, er een statistische significantie is bij : groep 1 p < 0.004, groep 2 p < 0.003 en groep 3 p < 0.004. Wat is aangetoond uit dit onderzoek dat je voor het verbeteren van de tekenvaardigheid bij jonge kleuters zowel de grafo-cognitieve werkwijze als de perceptuo werkwijze kunt gebruiken.
Daarnaast is er een duidelijk verschil te zien bij de verbetering tussen de groepen die extra aandacht hebben gekregen middels de perceptuo werkwijze of de grafo-cognitieve werkwijze t.o.v. de controle groep. Van de 37 kinderen middels de 2 werkwijzen lieten 24 kinderen een verbetering zien (65%). Bij de controle-groep lieten 9 van de 21 kinderen een verbetering zien (43%).

De tweede zin laat al zien dat deze oefentherapeuten niet uitblinken in het correct lezen van wat de Stichting Schriftontwikkeling te berde brengt:

De stichting is er van overtuigd dat de ¨perceptuo-motoriek¨ niet bijdraagt aan de ontwikkeling van de schrijfmotoriek en dat de ¨grafo-cognitieve¨-werkwijze wel de juiste manier is om het handschrift aan te leren.

De Stichting Schriftontwikkeling is er helemaal niet van overtuigd dat de ‘perceptuo-motoriek’ niet bijdraagt aan de ontwikkeling van de schrijfmotoriek, omdat een dergelijke taakspecifieke motoriek doodeenvoudig niet bestaat. Oefentherapeuten die geld verdienen aan slechte handschriften hebben baat bij het vermeende bestaan van het begrip ‘schrijfmotoriek’. Veel mensen denken hierover niet veel verder na maar als je er naar vraagt weet iedereen dat ‘fles-ontkurk-motoriek’, ‘fietsmotoriek’, ‘vioolmotoriek  of ‘tandenpoetsmotoriek’ niet bestaan. Dit zijn allemaal culturele vaardigheden.  Geen bewegingstherapeut is in staat het bestaan van ‘schrijfmotoriek’ aan te tonen! Geen bewegingstherapeut houdt zich bezig met het ontwikkelen en verbeteren van de ‘tekenmotoriek’.

Ook bij het oefenenprogramma ‘Kleuren en arceren’ van de Stichting Schriftontwikkeling gaat het niet om het aanleren van het handschrift maar om het voorbereiden op het leren schrijven. Op dit programma richten de oefentherapeuten zich tenslotte met hun onderzoeksmeting. [Overigens is de Stichting Schriftontwikkeling er niet alleen van overtuigd dat goed handschriftonderwijs bestaat uit goed uitleggen (cognitief aspect) en goed voordoen (grafisch eigenvaardigheidsaspect) , maar kan ze de kracht van deze grafo-cognitieve werkwijze in de praktijk ook bewijzen. Ze heeft dit inmiddels vele malen gedaan zowel in het primair als secundair onderwijs tot aan één van onze ministeries aan toe. ]

Hier zien we, na het oorspronkelijke handschrift, het resultaat van ongeveer 1,5 uur uitleggen, voordoen en oefenen bij twee ambtenaren van een van onze ministeries.

Nog een foute gedachte:

De post-HBO kinderoefentherapie stelt dat de handvaardigheid en oog-handcoördinatie (perceptuo-motoriek) belangrijke voorwaarden zijn voor het goed kunnen leren schrijven.
Op dat gebied begeven wij ons als kinderoefentherapeut. Met dit toetsend onderzoek willen we dan ook onderzoeken of er verschil is in tekenvaardigheid tussen kleuters (van 4 jaar) die de ¨perceptuo-motoriek¨-werkwijze volgen en kleuters (van 4 jaar) die de ¨grafo-cognitieve¨-werkwijze volgen.

Ziet u hoe handig hier het begrip ‘handvaardigheid‘ in de eerste regel van het citaat in de tweede regel plotseling is vervangen door ‘tekenvaardigheid‘? Er werd toch gesteld de ‘handvaardigheid‘ te onderzoeken? Daarvoor hoef je zelfs geen enkele tekenopdracht te geven. De ‘handvaardigheid’ is bij een goochelaar ook in hoge mate aan de orde. ‘Handvaardigheid’ zegt niets over grafische taken en de greep en houding en nauwkeurige waarneming en analyserende uitvoering die daarbij horen.

Ook is het niet zo dat kleuters een ‘perceptuo-motorische’ of ‘grafo-cognitieve werkwijze’ volgen. Dat doet namelijk de leerkracht.

Laten we eerst in het kort omschrijven wat de inhoud van beide werkwijzen behelst:

De perceptuo-motorische werkwijze

De perceptuo-motorische werkwijze wordt op veel scholen geëffectueerd door middel van ‘grafische bewegingsoefeningen’ ook wel bekend als schrijfpatronen. De perceptuo-motoriek omvat echter nog veel meer. Zo is bijvoorbeeld de structurering van de ruimtelijke oriëntatie een onderwerp. Let wel, het gaat hierbij ook om de driedimensionale ruimte, terwijl het bij schrijven uitsluitend om de tweedimensionale ruimte gaat. U begrijpt zelf ook wel dat ‘voor’ en ‘achter’ of ‘boven’ of ‘onder’ op een schrijfblad een heel andere betekenis heeft dan ‘voor’ en ‘achter’ en ‘boven’ en ‘onder’ in de driedimensionale ruimte van het klaslokaal.

Verder zijn daar nog aspecten als het oefenen van evenwicht en het werken aan ‘lichaamsbesef’ of ‘lichaamsschema’, aan motorische oriëntatie, richtinggevoel, visueel geheugen, vormonderscheidingsvermogen enz..

De grafo-cognitieve werkwijze

De grafo-cognitieve werkwijze werkt totaal anders. Deze houdt zich in eerste instantie niet bezig met het ontwikkelen van de motoriek (het onderwerp van het onderzoek van beide therapeuten), maar met het bewerkstelligen van een nauwkeurige grafische attitude, in samenhang met het overdragen van grafische kennis, gerelateerd aan de wijze van uitvoeren.

De grafo-cognitieve wijze van werken bij het voorbereiden op het leren schrijven in groep 3, beoogt dus uitsluitend de ‘greep en houding’ bij het nauwkeurig werken te bevorderen. Het nauwkeurig werken is weer verdeeld in nauwkeurig waarnemen en nauwkeurig uitvoeren. Het totaal wordt vervolgens samengevat als ‘het bevorderen van een nauwkeurige grafische attitude’.

Het doel van het onderzoek

Het doel van deze onderzoekers komt in het geheel niet overeen met het doel van de ´kleur- en arceeroefeningen’, zoals in de vorige alinea beschreven.

De Stichting Schriftontwikkeling beweert dat als je aandacht besteed aan een goede pengreep en een goede houding tijdens het kleuren en schrijven (bij alle grafisch werken dus), de kinderen hierdoor beter hun grafisch gereedschap zullen vasthouden en over een betere houding zullen beschikken. Ook beweert de Stichting Schriftontwikkeling in haar  ‘kleur- en arceer’programma, dat kinderen op die manier beter leren kleuren en arceren en beter nauwkeurig kunnen waarnemen. Vervolgens beweert de Stichting Schriftontwikkeling dat de kinderen beter in staat zijn om hun grafische resultaten te analyseren evalueren en eventueel bij te stellen. Een belangrijk gegeven, omdat zelfevaluatie bij de perceptuo-motorische werkwijze in het geheel niet aan de orde is.

Hoe stel je vast of dit doel bereikt wordt? Door de kinderen al kleurend en arcerend waar te nemen en te turven hoeveel kinderen met een goede greep en houding werken. Hoe stel je vast of de kinderen na de instructie en oefening een beter kleur- en arceerresultaat hebben bereikt dan vóór de instructie en oefening? Dat doe je door de grafische criteria als maatstaf te gebruiken en te zien of kinderen zonder instructie of voorafgaande aan de instructie deze criteria vaker of niet vaker overtreden.

Maken deze twee therapeuten gebruik van deze voor de hand liggende meetinstrumenten, die eventueel de kinderen waar het om gaat zelf zouden kunnen toepassen?

Geenszins. Deze therapeuten gaan vervolgens de resultaten van de twee testgroepen controleren met een serie motorische toetsen. Ja, u leest het goed: om een betere attitude en betere grafische resultaten te vergelijken wordt nota bene van een motorische toets gebruik gemaakt. In dit geval de  ABC Movement testbatterij. De therapeuten kunnen alleen denken vanuit wat ze tijdens hun opleiding hebben geleerd. Zie ook het citaat van John M. Keynes bovenaan onze homepage: “De moeilijkheid zit ‘m niet in de nieuwe ideeën, maar in het ontsnappen aan de oude, die tot in de verste uithoeken van ons hoofd zitten.”

De motorische test meet vooral:

• handvaardigheid
• balvaardigheid en oog-handcoördinatie
• statische en dynamische evenwicht; behendigheid
Ook wordt het kind geobserveerd in zijn spontane motorisch gedrag. De toets geeft  een beoordeling in gradaties van 0 ( zeer goed ) tot 3 ( kan dit nog niet ).
We geven toe, ze zijn als motorisch theraepeuten rolvast en consequent in hun meting van ‘de motoriek, maar de grafo-cognitieve werkwijze d.m.v. kleuren en arceren’ is nu juist niet een oefening in ‘motoriek’. Die motoriek kan dan ook niet getoetst worden als maatstaf voor de kwaliteit van het grafisch resultaat + houding en greep.

Wat getoetst moet worden bij de grafo-cognitieve werkwijze is het grafo-cognitieve resultaat, gekoppeld aan een juiste houding en greep.  We geven heel duidelijk aan dat het ons om een gedragsverandering en culturele vaardigheidsvergroting gaat.

Dat deze therapeuten dat niet kunnen beoordelen is duidelijk te lezen in hun verslag.

Ze geven dan ook ((heel wijs) geen enkel voorbeeld (scans of foto’s) van de oefeningen en de grafische resultaten of de houding en potloodgreep van de kinderen.

Bewegingstherapeuten kunnen mogelijk een beweging beoordelen op kwaliteit, maar dit dan altijd onafhankelijk van het product. Maar… als we schrijven hebben we met de code van het Westerse schrift te maken en het product dat daarvan gemaakt moet worden. Die kunnen deze oefentherapeuten niet beoordelen en ze kunnen er ook geen schrijfvoorwaarden aan ontlenen. Dat kunnen de gekwalificeerde handschriftdidactici van de Stichting Schriftontwikkeling wél.

Nog een belangrijk punt: De grafo-cognitieve werkwijze verlangt ook van de kinderen dat ze hun eigen resultaten kunnen beoordelen. Er worden allerlei criteria meegegeven voor het kleuren, zowel als voor het arceren.  We geven ze hieronder voor de twee soorten grafische oefeningen weer.

Voor kleuren gelden vooral de volgende kwaliteitscriteria:

1.  Binnen de lijntjes kleuren

2.  Geen witte plekjes overlaten

3.  Egaal inkleuren

4.  Rondjes zo klein, dat je ze niet meer terugziet

5.  Bij toonverloop, traploze toonovergang

 

Voor arceren gelden vooral de volgende kwaliteitscriteria:

1. Alle lijntjes even recht (of even gebogen)

2. Alle lijntjes op gelijkmatige afstand (gelijke spatie)

3. Alle lijntjes evenwijdig

4. Geen lijntjes laten eindigen vóór de buitenlijnen

5. Geen lijntjes laten eindigen dóór de buitenlijnen

 

Op deze manier kan elk kind na verloop van tijd zelf de kwaliteit van het eindproduct vaststellen.

Zelfreflectie is een gevolg van voortdurend gegeven feedback over de kwaliteit, die geleidelijk aan door de leerlingen moet worden overgenomen.  (Dat kan alleen de leerkracht dagelijks doen en niet een therapeut in een wekelijkse sessie.)

Kinderen moeten leren zich deze kwaliteitsvragen te stellen en het antwoord erop eerlijk te geven. Zo krijgen ze de gelegenheid om zich te bekwamen en te verbeteren!

Perceptuo-motorische oefenngen vergen in dit opzicht niets van de kinderen. Kinderen leren er in elk geval niet mee zichzelf en het grafisch resultaat van hun handelen te beoordelen.

Het instrueren en voordoen van basisvaardigheden moet aan de leerkracht van de desbetreffende kinderen worden overgelaten, die de kinderen dagelijks, van uur tot uur en van handeling tot handeling begeleidt.

We stellen nog maar eens voor alle duidelijkheid: Fysiotherapeuten moeten zich vooral niet met het onderwijs en het geven van onderwijsinhoudelijke instructie bemoeien. Het is hun vakgebied niet.

Conclusie

De conclusie van de onderzoekers is: het maakt niet uit welke van de twee je gebruikt.

Dan mag de leerkracht met het beroepshart op de juiste plek uitmaken voor welke van de twee consequenties van de twee verschillende werkwijzen je als rechtgeaarde leerkracht hoort te kiezen:

  1. Je instrueert als leerkracht de kinderen een goede greep, een goede houding en een grote mate van nauwkeurig waarnemen en uitvoeren zelf en begeleidt deze dagelijks, waarbij het een belangrijk doel is dat de kinderen hun eigen resultaten goed kunnen evalueren en bijsturen en waarbij de positieve beleving  van een fraai grafisch resultaat een duidelijke bijdrage levert aan hun groeiende competentiegevoel.
  2. Je levert je kinderen (toch niet allemaal!?!) in kleine hoeveelheden uit aan bewegingstherapeuten van buiten de school (vaak onbekenden voor de kinderen) die menen de kinderen beter te laten bewegen zonder dat daarbij een betere houding en greep voor het goed uitvoeren van grafisch werk (m.n. voor het leren schrijven) een dagelijks doel kan zijn (een sessie is hooguit eens per week een half uur).

De gebruikte test is volkomen ongeschikt om het doel van het kleur- en arceerproject te meten.
Het fundamentele verschil in benadering tussen de genoemde werkwijzen zien wel al heel duidelijk door het gebruik van deze volkomen misplaatste toets. De bewegingsspecialist richt zich op de (vermeende) beperkingen, de goede leerkracht gaat altijd uit van de mogelijkheden. De Movement ABC test is een door bewegingstherapeuten veelgebruikte test voor het vroegtijdig vaststellen van motorische beperkingen bij kinderen. Het kleur- en arceerproject is een steeds vaker gebruikte werkwijze om bij kinderen de mogelijkheden te laten zien en hun vaardigheid en daarmee hun competentiegevoel te vergroten. Bewegingstherapeuten hebben baat bij kinderen die bewegingstherapie nodig hebben. Onderwijzers hebben baat bij positieve resultaten waar op voortgeborduurd kan worden, zodat het competentiegevoel van de kinderen voortdurend wordt versterkt.

De conclusie dat het niet uitmaakt  welke van de twee werkwijzen je gebruikt is uiteraard ook om economische redenen niet waar.

De perceptuo-motorische werkwijze kost veel geld. Therapeuten berekenen al gauw € 70 of meer per uur. Onderwijzers worden echter door de overheid betaald. De kosten voor de ouders van een goede begeleiding van hun kinderen bij het aanleren van de basisvaardigheden bedragen daarmee € 0,00.
Onderwijs is tenslotte gratis voor alle gebruikers en discrimineert daarmee niet. Ook de grafo-cognitieve werkwijze is gratis. Iedereen kan het pakket in de vorm van een pdf-bestand gratis bij de Stichting Schriftontwikkeling aanvragen. De school zal alleen iets meer in kleurpotloden en fijne pennen investeren.
De oefenmaterialen voor de perceptuo-motorische werkwijze zijn echter in het geheel niet gratis.  Hele kisten met zeer duur motorisch oefenmateriaal zijn voor een goede uitvoering nodig. Voortdurend wordt door schoolleveranciers meer en nieuw materiaal aangeboden. Dit is dus wat de commercie betreft een oeverloos gebied. De grafo-cognitieve werkwijze echter vraagt niet meer dan het investeren in kennis en de overdracht daarvan. Kennis die de kinderen ook meenemen en altijd weer kunnen gebruiken om hun eigen producten/prestaties te analyseren en te evalueren, zodat ze altijd in staat zijn om hun vaardigheid te verbeteren.

De aanhangers van de perceptuo-motorische werkwijze (de fysio- en andere bewegingstherapeuten) menen, tegen de uitkomsten van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek in, het idee te moeten verspreiden dat kinderen door functionele oefeningen ook taakspecifieke bewegingen beter uitvoeren. Van een transfer tussen beide is geen wetenschappelijk onderzoeksresultaat bekend.

Tenslottte: Je meet tijdens een toets alleen wat een kind DOET. Daaruit kun je niet concluderen wat een kind KAN.

De resultaten van het beschreven onderzoek bestaan alleen uit cijfers.
De resultaten van ons onderzoek bestaan uit schitterende grafische resultaten van zeer jonge kinderen en bieden ook nieuwe mogelijkheden.

De resultaten van een half uur instructie en uitvoeren van kleuters die deze kleurtechniek nog niet eerder hadden geleerd. 

De economie van het hele verhaal

Deze twee therapeuten hebben hun eigen zaak van de perceptuo-motoriek in elk geval geen dienst bewezen. Als je de motoriek van de kinderen net zo goed via de bijna kosteloze grafo-cognitieve werkwijze van het kleuren en arceren kunt verbeteren, ben je wel gek als je daar duurbetaalde perceptuo-motorische therapieën voor zou gebruiken die (volgens dit misplaatste onderzoek) evenveel effect geven!

Als je een ‘nauwkeurigheidsmethode’ wilt onderzoeken, moet je ook de mate van bereikte nauwkeurigheid meten.
Het woord ‘nauwkeurig‘ dat in de grafo-cognitieve werkwijze de kern is van de werkwijze en daarom bij herhaling voorkomt, is in het hele onderzoeksverslag niet terug te vinden!

Deze bewegingstherapeuten hebben hiermee des te duidelijker laten zien, dat ze het vakgebied handschriftontwikkeling in het geheel niet beheersen en er eigenlijk niets van begrijpen. Ze kunnen dit beter overlaten aan kwaliteitsgeregistreerde handschriftdidactici en zich als kwaliteitsgeregistreerde bewegingstherapeuten bij hun leest houden.

Zonde van zoveel moeite en zinloos onderzoek.

 

* Zie ook http://www.plosmedicine.org/article/info:doi/10.1371/journal.pmed.0020124 over hoe weinig een zogenaamd wetenschappelijk onderzoek kans heeft waar te zijn. Een aantal van de ‘Corollaries’ geldt ook voor het onderzoek van de twee oefentherapeuten, waaronder het te minimale formaat van het onderzoek. De onderzoekers zijn hier ook nog belanghebbenden. Over dit laatste schrijft ‘Plosmedicine’:

The greater the financial and other interests and prejudices in a scientific field, the less likely the research findings are to be true. Conflicts of interest and prejudice may increase bias.