Een interview met de Stichting Schriftontwikkeling en fysiotherapeute mevr. Overvelde

Interview over handschriftproblemen

In het magazine VICE (16-4-2013) gaf journalist Jan van Tienen een verslag van zijn dubbel interview. Eerst met Ben Hamerling van Stichting Schriftontwikkeling en daarna met Anneloes Overvelde van de fysiotherapeuten, die hij met uitspraken van de Stichting Schriftontwikkeling confronteerde.

Het is de moeite waard om de argumenten te lezen waarom Hamerling van mening is dat handschriftproblemen niets met motoriek en met fysiotherapie te maken hebben en Overvelde meent dat er een specifiek soort motorisch probleem de oorzaak zou zijn van een slecht handschrift en dat dan een fysiotherapeut geschikt is om dat probleem op te lossen.

U kunt dit interview hier lezen:

https://www.vice.com/nl/article/3b3y75/de-queeste-om-mijn-handschrift-te-verbeteren-bracht-misstanden-in-het-schrijfonderwijs-aan-het-licht

In het tweede deel van dit artikel confronteert Jan van Tienen mevrouw Overvelde met het commentaar van Hamerling.

Een belangrijke kwestie is, of een fysiotherapeute binnen de glijdende schaal van handschriftkwaliteit de middelen heeft om te bepalen of het handschrift van het kind wel of niet wordt veroorzaakt door een motorisch probleem.

Met vette letters de vraag of opmerking van Jan van Tienen, daaronder de reactie van mevrouw Overvelde:

Maar wat zegt u over het verwijt dat schrijven niet kan worden aangeleerd als een motorische activiteit?
“Kijk, schrijven is een activiteit. Het product van het geschrevene wordt bepaald door verschillende onderdelen. Er is ten eerste een creatief gedeelte: de tekst die je bedenkt, die je op gaat schrijven. Ten tweede is er kennis van de spelling: weten waar de a, de b en de dt’s moeten komen te staan. Ten derde is er dan het motorische aspect, de fijne motoriek. In de literatuur wordt gesproken over Language by Hand. Klopt het eindresultaat, het uiteindelijke product van het schrijven niet? Dan is er iets mis met een van de componenten die ik noemde. De taalkant – language – kan de falende component zijn, maar ook de motoriek.”

Hier stelt ze drie dingen anders voor dan ze zijn. Het zit als volgt:

Ten eerste het creatieve gedeelte (stellen – tekst bedenken).
Stellen of tekst bedenken is helemaal geen component van de handschriftontwikkeling. Dat hoort bij taalonderwijs en heeft met het onderwerp van dit gesprek niets te maken.

Ten tweede is er kennis van de spelling.
Dat gaat dan aan het lezen en zeker aan het creatieve stellen vooraf. Ook spellen heeft echter geen raakvlak met handschrift. Er zijn nu al twee argumenten af te strepen. Wat blijft over?

Ten derde is er het motorisch aspect, de fijne motoriek.

Zo heeft mevr. Overvelde even handig de motoriek als educatief  onderdeel ingevoerd. Schrijven is taal (stellen)… maar daar gaan wij niet over. Schrijven is spelling en daar gaan wij ook niet over. Wij gaan alleen maar over het enige dat er nog overblijft: Schrijven is motoriek.

Toch zit ze er totaal naast: het gaat niet om de ‘motoriek’, maar om de lettervormgeving. Dat is wat aan kinderen geleerd moet worden binnen de school en door voldoende opgeleide leerkrachten tot wier vakgebied het leren schrijven gerekend moet worden. Slechte handschriften worden veroorzaakt door slechte handschriftinstructie en -begeleiding en moeten dan ook via nieuwe, betere instructie worden verholpen. Niet door bewegingsoefeningen van therapeuten die niets te zoeken hebben binnen een cognitief vakgebied in het onderwijs. Als ze gelijk had, zouden fysiotherapeuten ook iedereen kunnen helpen bij het oplossen van de Rubik-kubus. Dat is namelijk een en al motoriek.

Wat de zich met handschriften bemoeiende fysiotherapeuten doorlopend vermijden, is iets zinnigs over de lettervormgeving te zeggen. Je ziet dat ook aan al hun publicaties. Ze vermijden het om handschriftproducten van kinderen te laten zien die zo nodig ‘motorisch geholpen’ zouden moeten worden. Ook zien we nooit verbeterde handschriften die een gevolg zijn van hun heilzame, therapeutische optreden.

En als we er dan eindelijk van een bewegingstherapeut een onregelmatig handschrift te zien krijgen, (Zie voorbeeld van de Maartenskliniek) blijkt heel duidelijk dat het verbeteringsvoorbeeld van ene ‘Bas’ gemanipuleerd is in die zin dat het tweede handschrift niet van dezelfde schrijver is. Het is naast nog een paar handschriftkenmerken die ons de wenkbrauwen doen fronsen, op zijn minst heel vreemd dat in het verbeterde handschrift ineens niet meer met hoofdletters geschreven wordt. Ook typisch is het dat in het eerste handschrift ‘Bas’ nog de doorverbonden of verbindingsconsequente t hanteert en in het tweede handschrift ineens tot de blokletter t met losse dwarsstreek is overgestapt.

Kennis van de lettervormgeving zorgt er namelijk voor dat de lettervormen (het resultaat van een afgesproken vormcode) voor de aansturing zorgen.

Zo leren wij kinderen de lussen van letters precies twee keer zo hoog als de letterrompen te schrijven. Deze eenvoudige maat is een vormaspect dat elk kind kan herkennen en kan leren uitvoeren. Na een tijdje schrijven ze die lussen allemaal in de juiste verhouding tot de letterromp en zo is er sprake van een juiste ‘aansturing’. En juist dit begrip wordt door fysiotherapeuten vermeden. Dat is omdat ze de vakkennis missen. Het is ook hun belang niet. Men denkt dat je iets aan fijne motoriek (een onhandig begrip waarover later meer) kunt oefenen. Je kunt dat wel oefenen, maar het is zinloos. Mevrouw Overvelde kan geen vakkundig uitgevoerd onderzoek tonen waarin fijne motoriekoefeningen voor transfer naar een beter handschrift zorgen.

We citeren uit het interview dat Jan van Tienen met mevr. Overvelde had:

Mevrouw Overvelde, Stichting Schriftontwikkeling, zegt lelijke dingen over het werk van kinderfysiotherapeuten.
Anneloes Overvelde: Die kritiek is ons bekend.

Hoe bedoelt u?
Bij de start van ons werk aan het Evidence Statement, een paar jaar geleden, hebben wij verschillende organisaties die zich met handschriftonderwijs bezighouden, uitgenodigd voor deelname aan de klankbordgroep. Stichting Schriftontwikkeling wilde toen niet bij die gesprekken aanwezig zijn.

Hier verzuimd mevr. Overvelde om onze reactie op deze uitnodiging te vermelden. Die was heel eenvoudig: “Wij overleggen op vakniveau niet met amateurs die niets weten van verantwoorde lettervormgeving. We overleggen alleen met vakgenoten”.

Op deze  pagina van onderwijsonderzoek.net lezen we de reactie van prof. Kirschner op de vraag:

Vecht je het wel eens direct uit met je opponenten?
Kom je ze tegen op
congressen bijvoorbeeld?
“Heel simpel, als het gaat om eduquacks: daar wil ik mijn tijd niet aan
verspillen.

Het heeft voor mij geen zin om het gesprek aan te gaan met
iemand die niet weet waarover hij of zij praat.


Generieke vaardigheden

Als een kind flink gaat oefenen met insteekmozaïekjes, zal het geleidelijk aan steeds beter worden in het uitvoeren van insteekmozaïekjes, maar het handschrift zal er niet zichtbaar door verbeteren.

Tegenwoordig wordt dit verschijnsel met de term ‘generieke vaardigheden‘ omschreven. Generieke vaardigheden zijn algemene vaardigheden die je nodig hebt om goed te kunnen leren. Goed voor alle vakgebieden dus. Het kunnen nemen van beslissingen speelt een belangrijke rol bij het leren, even zoals kritisch denken en het communiceren.
Hierbij kan de taal voor een valkuil zorgen. Kritisch denken klinkt heel algemeen, maar vereist bijvoorbeeld voor elk vakgebied een heel andere voorkennis. Als je bijvoorbeeld geen kennis hebt van het schaken, maar wel van filosofie, dan zul je weinig plezier hebben van je kritisch vermogen om daarmee het verloop van een schaakwedstrijd te kunnen voorzien van kritisch en inhoudelijk commentaar.

Lees ook het commentaar van Paul Kirschner over deze kwestie in Didactief, een onderwijsmagazine dat probeert om mythes in het onderwijs aan de kaak te stellen.

De gedachte van een algemene handeling die goed is voor andere houdt, tegen allerlei uitkomsten van onderzoek in, nog steeds stand. Zo wordt er nog steeds gedacht dat fijnmotorische oefeningen goed zijn voor nauwkeurige grafische taken, zoals schrijven. Maar aangetoond is deze aanname nog nooit. Je kunt ook wel zelf bedenken dat dit niet kan helpen. Als je schrijft is niet de beweging bepalend voor de uitkomst, maar de kennis van de vorm en het traject bij het uitvoeren van de constructie. Omdat die kennis zo beperkt aanwezig is bij de meeste mensen zie je zoveel verschillende uitkomsten van handschriften. Als iedereen dezelfde lettervormgevingskennis zou hanteren bij het construeren van letters, dan zouden bijna alle handschriften er hetzelfde uitzien.

Als een fysiotherapeut in staat zou zijn om kinderen met slechte handschriften effectief te kunnen helpen omdat ze de fijne motoriek oefenen met het kind, dan zouden ze ook vals vioolspelende kinderen kunnen helpen naar zuiver spel. Of slecht schakende kinderen betere bewegingen te laten uitvoeren tijdens een schaakwedstrijd.

Echt, een fysiotherapeut is in geen enkel geval in staat om vast te stellen of een slecht handschrift is veroorzaakt door een gebrekkige motoriek. En ze tonen dit ook nérgens aan. Een fysiotherapeut leert over het skelet, de pezen en spieren, maar niets over lettervormgeving en de problemen daarvan. Dat moet je aan grafisch opgeleide handschriftkundigen overlaten.
Waar de paramedische fysiotherapeuten hoofdzakelijk de behandeling van botten, pezen, spieren etc. tot onderwerp van behandeling hebben, is het duidelijk dat het behandelen van problemen in een heel ander vakgebied (vormgeving) wel heel erg onprofessioneel is. Zij zijn hooguit therapeut, maar geen remedial teacher!

Met verwijzingen naar een zogeheten ‘Evidence statement’ moet het de indruk wekken dat het om (wetenschappelijke) bewijzen gaat.

Wij stellen vaak vast dat velen menen dat ‘evidence based’ niet ‘bewezen effectief’ (zoals bij John Hattie) betekent, maar ‘geciteerd uit publicaties’. Verwijzen naar citaten en bronnen zijn op zich geen bewijs of evidence. We weten ook niets over de ter zake van belang zijnde vakkundigheid  van de onderzoekers bij de geciteerde onderzoeken.

Daarnaast handelen bewegingstherapeuten niet in overeenstemming met de door hen zelf vastgelegde beroepsethiek en daarbij behorende gedragsregels.
U kunt dat hier lezen: https://www.fydalo.nl/uploads/KNGF_BEROEPSETHIEK-GEDRAGSREGELS.pdf

Steeds wordt een beschrijving van de uitgewerkte beroepsethiek gevolgd door een bladzijde met gedragsregels.
Op blz 12

17 Relaties, samenwerking” lezen we:

De fysiotherapeut dient zich daarom van handelingen en uitspraken, welke gelegen zijn buiten het terrein van de eigen deskundigheid en/of bekwaamheid, te onthouden.

… en onder dezelfde kop één bladzijde verder:
blz 13

17 Relaties, samenwerking
De fysiotherapeut zal de grenzen van het beroep ten opzichte van andere deskundigen, werkend op het terrein van de volksgezondheid, in acht nemen. De fysiotherapeut onthoudt zich bij de uitoefening van het beroep van handelingen en uitspraken, welke gelegen zijn buiten het terrein van de eigen deskundigheid en/of bekwaamheid.

In elk geval kunnen we aan het louter bestaan van deze uitgave beroepsethiek fysiotherapie de conclusie verbinden dat zo’n document kennelijk erg hard nodig is. Wij kunnen ons niet herinneren ooit een document beroepsethiek voor het onderwijs te hebben gezien.

Er geldt nog een belangrijke overweging: Fysiotherapeuten behoren zich als paramedici bezig te houden met de gezondheid van mensen, niet met  een leerproces waarvan de instructie een specifieke, educatieve vakdidactiek betreft. Zo bestaat het gevaar van het pathologiseren van zaken die het leren belemmeren, nu niet door bijvoorbeeld gedragsregulerende medicijnen, maar door het handelen van paramedici die hun grenzen niet willen erkennen en die van een ander vakgebied niet respecteren. Daardoor wordt de leerling de enige werkelijk goede begeleiding onthouden: een methodiek die geen ruimte laat voor verschillende interpretaties en die altijd effectief is. Zoals we ook wel eens zeggen als het over remedial teachers gaat: Een behandelaar die het wél voor elkaar krijgt een kind iets te leren wat de eigen leerkracht niet lukt, moet ogenblikkelijk de leerkracht bijsturen en daarna het schoolgebouw verlaten.

Labelen

Er is overigens een heel goede reden om kinderen met een slecht handschrift NOOIT naar een fysiotherapeut te sturen: Je moet namelijk kinderen nooit labelen! Een kind met een slecht handschrift heeft onvoldoende instructie en begeleiding gehad op school. Het kind weet dit zelf niet. Het weet alleen dat ‘men’ niet tevreden is over het handschrift en zoals dat vaak gaat gedraagt dit kind zich steeds meer naar het etiket dat het opgeplakt heeft gekregen: “Ik kan iets belangrijks niet goed of helemaal niet!”
De juffrouw of meester zegt er wel eens iets van, maar meer dan een krul zetten doen ze er niet aan. Tenslotte wordt de fysiotherapeut ingeschakeld. En… raad eens wat!? Het handschrift wordt er niet merkbaar beter van. Soms toch wel iets, want ofwel het kind krijgt via deze aandacht een iets beter resultaat, waarvoor we de term ‘aandachtseffect’ hanteren, ofwel het kind wil beslist niet langer met een onbekend iemand afgezonderd van de eigen groep in een kamertje zitten en doet alle mogelijk moeite om een iets bewuster handschrift te schrijven dat iets beter oogt. Maar op de lange duur zakt alles wat beter leek weer weg en weet het kind alleen maar dat het aan het zichzelf ligt. Als de juf of meester het al  niet voor elkaar krijgen en een specialist als een fysiotherapeut ook niet, dan moet het wel aan dat kind zélf liggen. Zulke kinderen etiketteren zichzelf dus uiteindelijk en gedragen zich ernaar. Terwijl dit allemaal volstrekt onnodig is.

+ Ergonomische materialen

Wij helpen zulke kinderen (gratis) als hun ouders ten einde raad op Internet zijn gaan zoeken om hulp. We vragen dan ook of er al eerder aandacht aan is besteed. Het zal u niet verbazen dat het in de vorige alinea beschreven proces zich doorgaans heeft voorgedaan. Vaak nog aangevuld met allerlei ‘ergonomische materialen’, zoals driekante potloden, grippers en zitballen.

Dat ze ons alsnog hebben weten te vinden houdt dus in dat de ‘therapeutische behandeling’ niet heeft geholpen. We vinden het dan ook ethisch onjuist dat ‘therapeuten’ zich met de inhoud van een educatief vakgebied bemoeien. Daarmee bedoelen we heel concreet dat mevr. Overvelde moet ophouden zich over de ruggen van slecht schrijvende kinderen als handschriftspecialist voor te stellen wat ze aantoonbaar niet is. Wij blijven van haar vak af. Wij verwachten dat ze zich ook niet met ons vakgebied bemoeit.

Informatie over een opleiding tot fysiotherapeut
De opleiding Fysiotherapie duurt vier jaar. Ongeveer de helft van de studietijd is bestemd voor zelfstudie, thuis of op school. De andere helft besteed je aan hoorcolleges, werkcolleges en praktijklessen. Bij de hoorcolleges behandelen we de theorie in een grote groep (130 studenten). In de praktijklessen oefen je in kleine groepjes met en op elkaar de fysiotherapeutische vaardigheden, zoals massagetherapie en bewegingstherapie. Tijdens de medische practica leer je over de bouw en werking van je eigen lichaam. Alle vakken hangen onderling samen. Ook staat jouw omgang met mensen centraal. Dit is belangrijk omdat je een beroep leert waarbij het omgaan met mensen cruciaal is.

Fouten in het denken van mevr. Overvelde

‘Motorische schrijfproblemen’ en ‘fijne motoriek’

De term ‘motorische schrijfproblemen’ suggereert dat het probleem bij het kind ligt en tevens dat de oorzaak ‘motorisch’ van aard is. Beide aannames zijn onjuist. Er bestaan namelijk ook goede en slechte instructies. En wie heeft er dan een probleem in het geval van ‘schrijfproblemen’? Als het goed is de leerling én de leerkracht.

Je hoort bij fysiotherapeuten, die zich met het handschrift van kinderen bemoeien, nooit dat ze onderzoek doen naar de wijze waarop kinderen hebben leren schrijven. Terwijl ze er toch niet onderuit kunnen dat er verschillen in onderwijskwaliteit bestaan. En die zijn weer te onderscheiden in de kwaliteit van de lesgever (veroorzaakt op de pabo) en de kwaliteit van de methodiek (verantwoordelijkheid van de uitgever die niets weet over de inhoud van het vakgebied).
Hoe willen fysiotherapeuten als mevrouw Overvelde het klaarspelen om een gebrek aan onderwijskwaliteit als mogelijke oorzaak van een slecht handschrift uit te sluiten? Als het goed is overstijgt een dergelijke mogelijkheid hun vakgebied in hoge mate.

Wij hebben jaren lang in scholen onderzocht hoe kinderen zo te instrueren dat er uitsluitend goed functionerende handschriften worden ontwikkeld. We zijn hierin geslaagd en hebben lesmateriaal ontwikkeld waarmee elk kind niet alleen een handschrift ontwikkelt dat voor zowel schrijver als lezer goed functioneert, maar dat het kind ook in staat stelt om de ontwikkeling van het eigen handschrift te beoordelen en tijdig bij te sturen, zodat de handschriftkwaliteit gehandhaafd kan worden.

Uit het interview met Jan van Tienen van VICE:

“Klopt het eindresultaat, het uiteindelijke product van het schrijven niet? Dan is er iets mis met een van de componenten die ik noemde. De taalkant – language – kan de falende component zijn, maar ook de motoriek.”

Het getuigt van een gebrek aan ter zake doende kennis op onderwijskundig gebied door hier de taalfactor bij te halen. Die heeft namelijk niets te maken met een onregelmatig handschrift. Behandelt de fysiotherapeut dan ook de notatie en vormgeving van cijfers (omdat het ook wel eens zou kunnen zijn dat de rekenvaardigheid ‘de falende component’ kan zijn)?

Wat is “de motoriek”? We vinden daar eigenlijk nooit een eenvoudige en duidelijke uitleg van. Ook niet van mevr. Overvelde.  Als het goed is gaat het niet zozeer om de bewegingen van vnl. de armen en handen en benen en voeten zelf, maar om hoe die beweging ontstaat. Mevr. Overvelde zal toch moeilijk kunnen ontkennen dat de aansturing van de beweging het gene is dat in het geval van problemen de oorzaak daarvan is.

Ze gebruikt in het interview ook de term ‘fijne motoriek’ terwijl niet het formaat van de beweging, maar de locatie van de beweging van belang is. We bedoelen daarmee een beweging vanuit de schouder bijvoorbeeld of een beweging van de vingers van de hand. Zo wordt de beweging dichter bij de romp ‘proximale motoriek’ genoemd (‘dichtbij motoriek’ –  Proximus is de dichtst bijzijnde ster in het sterrenbeeld Stier) en worden de bewegingen van handen en vingers ‘distale motoriek’ genoemd (‘verder weg motoriek’)

Er is namelijk een ander hersengebied verantwoordelijk voor de distale beweging dan voor de proximale beweging. Het oefenen met grote armbewegingen zoals dat bijvoorbeeld bij “Schrijfdans” gebeurt oefent dus niets wat juist van belang is als je schrijft: de distale beweging. Je staat met Schrijfdansoefeningen dus geheel zinloos de kostbare ontwikkelingstijd van de kinderen op te maken.

Wat maakt dan het ‘fijne’ uit van ‘fijne motoriek’? Het gemiddelde publiek denkt dan aan kleine bewegingen, zoals die in het schrijven voorkomen. Maar je kunt vanuit je schouders ook heel fijne bewegingen maken (denk bijv. aan de strijkarm van de violist). Eén conclusie kunnen we vast trekken uit dit verhaal: het gaat om de aansturing en niet om de beweging. Sinds onze toegenomen kennis van ‘spiegelneuronen’ weten we zelfs dat er een aansturing werkzaam kan zijn zonder dat er een beweging op volgt. Dat mensen elkaars bewegingen spiegelend kunnen ervaren zonder dat de beweging daadwerkelijk in gang wordt gezet. Dit is bijzonder belangrijk voor het leerproces. Leerlingen leren voor een belangrijk deel door gedrag te imiteren en hun aansturingscentra zijn op zulke momenten actief (te zien op hersenscans) zonder daadwerkelijk de beweging uit te voeren. Daarom vinden we het ook zo belangrijk dat de leerkracht zowel greep en houding als de correcte lettervormgeving goed voordoet. (Lees hiervoor bijvoorbeeld “Het spiegelende brein” van Marco Iacoboni. Over inlevingsvermogen, imitatiegedrag en spiegelneuronen (Farrar , Straus and Giroux, New York 2008)

Wat er wezenlijk verkeerd gaat in het wetenschappelijk onderzoek naar de praktijk van het handschrift is de opvatting dat een letter een gevolg is van een beweging. Dat mag fysiek waar zijn, maar dat sluit de cognitie, de aansturing uit. De beweging is een gevolg, de aansturing is de oorzaak. Wij houden ons vnl. bezig met de oorzaak.

Dit is dan ook precies de reden waarom we de studenten op de Radboud Universiteit voorafgaand aan de lessen handschriftontwikkeling  het Gotisch schrift leren a.d.h.v. een document met cognitieve beschrijvingen. Zo ontdekken ze, voorafgaand aan de eerste les vanzelf dat vaardigheid in dat schrift pure cognitie betreft. Er was nergens iets te automatiseren. Automatiseren is ook zo’n stokpaardje van bewegingstherapeuten. Het hangt er maar van af wát je wilt automatiseren. Als kinderen de lettervormen (cognitief) niet doorzien, automatiseren ze een verkeerde ‘beweging’, en daarmee ook een verkeerd resultaat.

Geen kalligraaf gaat ‘op de automaat’ als hij/zij een oorkonde schrijft. Bij geen enkel deel van welke letter dan ook.

Een interessante vraag i.v.m. huidige ontwikkelingen zou kunnen zijn: helpen bewegingstherapeuten ook Arabisch schrijvende kinderen die verkeerde bewegingen maken in het Arabisch schrift?!

En nog een praktische vraag: Kan een bewegingswetenschapper die zich met het handschrift ophoudt een betere schrijfmethode schrijven dan een grafisch opgeleide handschriftdidacticus? Bewegingswetenschappers proberen ons daarvan met een overdaad aan verbaal geweld en verwijzingen naar ‘vakliteratuur’ te overtuigen. Tenslotte vraagt mevr. Overvelde in de titel van haar werkstuk zich met ons af: “Which practice makes perfect?

Er zijn ons twee pogingen van bewegingswetenschappers bekend om een handschriftmethode te schrijven. Eén is gelukt (“De training van de schrijfbeweging; Reed Business; 2004″), zij het dat de methode niet veel langer dan een jaar op de markt is gebleven wegens een gebrek aan bestellingen (wat gezien de daarin vervatte denkbeelden geen wonder mag heten). De andere was afkomstig van de bewegingswetenschappers van het Nijmegen Institute of Cognition and Information (NICI) en is in de fase van het concept blijven steken.

In hun voorwoord schrijven de ‘auteurs’ hoopvol over hun nog te creëren schrijfmethode:

Dit rapport geeft de stand van zaken weer m.b.t. de ontwikkeling

op het NICI van een nieuwe schrijfmethode voor de basisschool.

De schrijfmethode gaat uit van mentale processen die een

belangrijke rol spelen bij het schrijven, op basis van inzichten en

bevindingen bij de psychomotorische bestudering van handschrift.

De schrijfmethode stelt een vlotte uitvoering centraal. Daartoe

moet de leerling al in de aanvangsfase van het leren schrijven

worden aangezet tot het mentaal plannen van de beweging.

En dit alles dus geschreven door mensen die geen idee hadden van de onderbouwing van de lettervormen die zich door de eeuwen heen ontwikkeld hebben! Er is meer voor nodig dan kennis van een ‘psychomotorische bestudering van handschrift’. Hoe maak je door alle jaren heen lesmateriaal dat boeiend en uitdagend is en waarbij kinderen leren wat de kwaliteit van hun handschrift bepaalt? Zodat alle kinderen in de bovenbouw uiteindelijk ongeveer hetzelfde, functioneel vormgegeven handschrift meenemen naar het voortgezet onderwijs.

Tenslotte laten we nog een onverantwoorde ‘bemoeien met het onderwijs’-voorbeeld uit de praktijk van alledag zien, van een fysiotherapeut die zich niets aantrekt van de waarschuwing uit het document Beroepsethiek en gedragsregels voor de fysiotherapeut en daarbij laat zien dat de kennis van de spelling ook de falende component kan zijn:

Er zijn verschillende soorten schrijfproblemen. Voorbeelden hiervan zijn een verminderde leesbaarheid, pijn in de hand tijdens het schrijven, moeite met bepaalde lettervormen, een te laag schrijftempo waardoor uw kun niet mee kan komen met andere kinderen in de klas of een te groot of te klein handschrift.

https://www.fysiotherapiescheperpark.nl/kinderfysiotherapie-bij-schrijfproblematiek

En wie weet wat een te laag schrijftempo is mag het zeggen…

Onderzoek naar de effectiviteit van motorisch oefenen

Tenslotte is er al lang uitvoerig onderzoek gedaan naar de waarde van de motorische benadering van het handschrift. We verwijzen in dit geval naar de meta-analyse van 180 onderzoeken, in 1983 uitgevoerd door Kavale en Mattson en uitvoerig in hun verslag “Jumping off the Balance Beam”, een titel die verwijst naar de bekende film “One Flew over the Cuckoos Nest” over een zinloze psychiatrische behandeling.

Kenneth Kavale and P. Dennis Mattson “One Jumped Off the Balance Beam”: Meta-Analysis of Perceptual-Motor Training; J Learn Disabil 1983; 16; 165

Kavale en Mattson laten zien dat motorische oefeningen voor de meeste taken nauwelijks enig positief effect hebben. Voor ‘handschriftontwikkeling’ ligt het effect bijzonder laag. d=0,5. Een verwaarloosbaar effect dus.

Als ze aan het eind van hun conclusies zijn gekomen laten ze de lezer weten niet veel vertrouwen te hebben in de uitwerking van hun meta-analyse. We citeren:

Process training has always made
the phoenix look like a bedraggled
sparrow. You cannot kill it. It sim-
ply bides its time in exile after
being dislodged by one of history’s
periodic attacks upon it and then
returns, wearing disguises or carry-
ing new noms de plume, as it were,
but consisting of the same old
ideas, doing business much in the
same old way (p. 539).

Het is ook vergelijkbaar met fraaie verhalen van bijvoorbeeld Mesker over de samenwerking tussen de hersenhelften. Het is een verhaal dat heel erg logisch lijkt, maar helemaal niets te maken heeft met de werkelijkheid van de letterconstructie. En ondanks pogingen van wetenschappers als de neuropsycholoog dr. Paul Eling van de Radboud Universiteit om dit verhaal te ontkrachten op grond van wetenschappelijke kennis van dit moment blijft ook dit verhaal steeds weer opduiken in boeken en cursussen. Zoals Kavale en Mattson al schreven:

‘…doing business much in the same old way’.