HANDSCHRIFTONDERWIJS

Aandachtspunten handschrift

  1. Het handschrift heeft een één belangrijke functie tijdens het leren op school. Kinderen schrijven een groot deel (minstens 30% á 60%) van hun schooltijd. Het handschrift is daarmee de meest gebruikte verwerkingsbasisvaardigheid. Er is vrijwel geen verwerking in het onderwijs denkbaar zonder het gebruik van de pen.
    Het handschrift is daarom zéér functioneel.
  2. Het handschrift maakt een belangrijk deel uit van het competentiegevoel van het kind.
  3. Een leesbaar en (niet al te) vlot geschreven handschrift vergt en vergroot zelfdiscipline.

Functioneel

Het handschrift heeft zijn eigen toepassingen. Andere dan die van het toetsenbord. In het basisonderwijs moeten de kinderen heel veel schrijven en hoewel het gebruik van de computer toeneemt is er nog veel te schrijven over. Het betreft hier nog steeds de meeste verwerkingstaken.
Juist door een gedeeltelijke vermindering van de ‘schrijf’taak door de computer, is het belangrijk om nòg intensiever en bewuster (cognitiever) het schrijven te oefenen. Dit moet gericht worden op de adequate toepassingen voor het schrijven: het noteren van gedachten, antwoorden op vragen, inventarisatie van ideeën, invullen van werkbladen, uitwerken van toetsopdrachten, het maken van les- of excursienotities e.d. Adequaat is ook de toepassing in mobiele situaties, waarbij het gebruik van een toetsenbord niet voor de hand ligt: kinderen moeten ook aantekeningen maken buiten het lokaal of de school.

Competentiegevoel

Het competentiegevoel van het kind hangt samen met het zich veilig voelen. Doordat het kind weet wat het kan en doordat het ervaart dat dit te beÏnvloeden is versterkt dit het gevoel van zeker zijn. Het handschrift wordt tÉ vaak gepresenteerd als nauwelijks te beÏnvloeden. Daarom is het belangrijk dat er juist gewerkt wordt aan het beÏnvloeden van het handschrift. Juist in de bovenbouw van de basisschool moet hier heel veel aandacht aan worden besteed, i.p.v. het handschrift tot vogelvrij gebied te verklaren door het handschrift los te laten tot ‘iets persoonlijks’ d.i. iets onleesbaars.

We staan daarom een handschriftonderwijs voor dat van deze uitgangspunten uitgaat:
– Geef uitdagende opdrachten, waarbij kinderen elke keer iets nieuws over lettervormgeving leren.
– Alle kinderen kunnen goed leren schrijven als dit maar goed wordt voorgedaan en uitgelegd.
– Geef duidelijke en haalbare kwaliteitscriteria aan de kinderen mee.
– Geef als leerkracht veel vakinhoudelijke feedback.

Zo kunnen de kinderen leren wanneer ze aan de eisen voldoen en wanneer er nog wat te verbeteren valt.

Zelfdiscipline

Dit begrip is de laatste tijd enigszins buiten beeld van opvoeding en onderwijs gevallen, maar nog steeds zijn kinderen gebaat bij het leren stellen van grenzen, met name door zichzelf. Voor het bereiken van motorische vaardigheden is ‘zelfdiscipline’ een onmisbaar begrip, zoals docenten in het muziekonderwijs maar al te goed weten. Het schrijven is echter een bezigheid die voor iedereen onmisbaar is en daarom moet bij het verwerven van déze vaardigheid extra aandacht gegeven worden aan de eisen die élk kind aan zijn/haar eigen handschrift moet opleggen en waartoe het moet worden uitgedaagd. Deze eisen (handschriftcriteria genaamd) moeten bewust gemaakt worden in het schrijfonderwijs, met name in de periode die normaal aan de automatisering van het handschrift wordt toegewezen: de periode ná groep 4, ook wel het voortgezet schrijven genaamd. Met name in deze periode is het belangrijk wel regelmatig, maar per keer niet lang, aandacht aan het schrijfonderwijs te geven. Hier telt een bekende wet: beter vaak kort dan soms lang.

Leesbaarheid

Vanaf groep 5 is de norm ‘netjes schrijven’ niet meer houdbaar. Dat is ook duidelijk waarneembaar in de handschriften van de kinderen en in de opvattingen van de leerkrachten in de bovenbouw. Vrijwel unaniem wordt gesteld dat de minimaal te stellen eis aan het handschrift dan de ‘leesbaarheid’ betreft.

De leesbaarheid is echter een subjectief begrip, dat bovendien sterk door de context bepaald wordt. Een eenduidige herkenning per karakter zou de minimale leesbaarheidseis moeten zijn. Met deze eis kan de leerling in het voorgezet onderwijs zijn toetsen zodanig invullen dat de docent zich niet hoeft te ergeren of een onvoldoende moet rekenen i.v.m. de niet te ontcijferen tekst.
Pas dan kan de leerling ook de formules van wis-, schei- en natuurkunde op leesbare wijze vorm geven.

De Stichting Schriftontwikkeling stelt vast dat ‘leesbaarheid’ geen norm is die de ontwikkeling van het handschrift betreft. Hiervoor hanteert de Stichting een andere norm. Om hier meer van te begrijpen raden we aan het artikel te lezen “Hoe minder schrijfles, hoe beter het handschrift.” JSW januari 2006 uit “Jeugd, in School en Wereld” van januari 2006. Daar wordt een onderbouwing voor deze benadering gegeven.