Het grote verschil…

Onder invloed van mensen als Ken Robinson (die overigens de effecten van zijn uitgangspunten niet aantoont) is men in het onderwijs steeds meer gaan denken dat kinderen zichzelf moeten ontwikkelen (“Kinderen zijn geen foto’s…”) en het zelfs beter zonder uitleg kunnen stellen. De school zou hun creativiteit doden…!

Zie bijvoorbeeld deze ‘blog’:

“Kinderen leren het best als je ze helemaal niets uitlegt”

Uit de vele reacties op dit artikel (onder het artikel te lezen) kunnen we heel duidelijk vaststellen dat er een grote verwarring heerst in het onderwijs. Moeten kinderen beter klassikaal onderwijs krijgen of moeten ze hun eigen individuele traject volgen? De trend tot steeds meer individualiteit in het onderwijs is al jaren gaande en vooralsnog niet uitgeraasd.

Een paar consequenties:

– Als we kinderen steeds meer individueel en op computergestuurde apparatuur laten werken ligt de gevolgtrekking voor de hand er naar toe te werken dat de kinderen helemaal niet meer naar school hoeven.
– Als kinderen toch geen uitleg krijgen hoeven ze daarvoor ook al niet meer naar school te gaan.

Als we de discussies onder het genoemde artikel aandachtig doorlezen, is het heel duidelijk dat men geen enkel onderscheid of zelfs een prioriteitsvolgorde aanbrengt in de lesstof voor de kinderen. Tussen de 61 reacties vinden we gelukkig een paar zeer zinnige, die ook getuigen van relevante belezenheid.

De vraag die nu gesteld moet worden is of er onderscheid in lesstof gemaakt moeten worden?
Is niet alle leerstof even belangrijk?

In de discussie onder het artikel wordt deze kwestie in elk geval niet aan de orde gesteld. Alles wat je op school tegenkomt is kennelijk even belangrijk. Er wordt door zowel de auteur van het artikel als door de ‘reageerders’ geen enkel onderscheid gemaakt.

In de Lager Onderwijswet van 1920 deed men dat wel. Kinderen die naar de “Lagere School” gingen leerden in groep 3 eerst de ‘leervoorwaarden‘ beheersen en wel de trits ‘Lezen, ‘Schrijven’ en ‘Rekenen’. Leervoorwaarden zijn vaardigheden waar je over moet beschikken om al het overige te kunnen leren. Het zijn geen vaardigheden die je jezelf in de regel kunt aanleren. Sommige reactiegevers gingen in hun beantwoording van zichzelf uit, van hun eigen leerproces. Maar dat hoeft niet te betekenen dat je als kind op dezelfde manier leert.
Daar komt nog wat bij: Als een kind moet ontdekken hoe je een of ander autootje aan de praat krijgt waardoor het zelf gaat rijden, zit die mogelijkheid technisch al in dat autootje ‘meegebakken’. Er is alleen nog maar wat inventiviteit nodig om het te ontdekken. Als wij echter Chinees willen leren is dat niet proefondervindelijk haalbaar. We zullen dan een uitleg van de code van dat schriftsysteem moeten leren. Dat kan ook van papier, maar het is voor kinderen beter als een volwassen deskundig didacticus dat op de juiste manier in de juiste stappen doet. Daar is een school voor: om uit te leggen en voor te doen. Klassikaal zelfs, want het gaat om basisvaardigheden, zo noemt de Wet op het Basisonderwijs van 1983 de leervoorwaarden’ van weleer.
Deze basisvaardigheden zijn eigenlijk codes, afspraken die eerst uitgelegd moeten worden.
1. Lezen =  de code van de juiste letter op de juiste plaats in de juiste volgorde
2. Schrijven = de code van de juiste lettervormgeving van het westerse schriftsysteem en de bijbehorende route en verhoudingen.
3. Rekenen = de code van het decimale positiesysteem.

In andere culturen kunnen andere afspraken, andere codes gelden . De taal verschilt en daarmee de spelling ook, terwijl soms ook het schriftsysteem geheel anders kan zijn (bijv. het Cyrillisch in Oost Europa). Maar hoe dan ook, deze drie basisvaardigheden gaan niet alleen aan alle andere vaardigheden vooraf, maar zijn zelfs onmisbaar om goed verder te kunnen werken aan die andere vaardigheden. Een prioriteitsvolgorde verdwijnt steeds meer uit het onderwijs. Deze werd vroeger enigermate gegarandeerd door een rooster dat achter het schoolbord in elk klaslokaal hing.
Bij het vaststellen dat het onderwijs zo’n slechte kwaliteit aflevert, gaat het eigenlijk altijd om deze drie basisvaardigheden. (De inspectie maakt het overigens te bont: ze controleert alleen taal en rekenen.)

Paarden, koeien en kraaien kunnen ook zélf ontdekkend leren, als het om het ‘uitvinden hoe iets werkt’ gaat, waarmee hun directe belang gediend is. Dat komt omdat de oplossing in het materiaal en de omstandigheden zélf terug te vinden is.
Dit laatste is niet het geval binnen een codesysteem, een systeem van afspraken. Wat afgesproken is (welke letters in welke volgorde of welke vormgeving aan de tekens is toebedeeld of wat een volgende locatie in het rekensysteem voor waarde heeft) is doorgaans niet vanzelf te achterhalen.

Het moet allemaal uitgelegd en voorgedaan worden en daar is een school voor!