Letterkennis

Kennis van de lettervormgeving gaat vooraf aan inzicht hierin. Een goed handschrift is alleen maar te onderhouden als er van voldoende letterkennis sprake is.
De Stichting Schriftontwikkeling zal daarom op deze bladzijde regelmatig aanvullingen maken, waarmee elke pabo-student of leerkracht in het Primair Onderwijs zijn letterkennis kan vergroten.

Terminologie

Allereerst een overzicht van termen die in het handschriftonderwijs van belang zijn. Met 3-zoneletter wordt de ‘kleine letter’ bedoeld, waar stokken en staarten twee extra letterzones bezetten. Deze letter wordt in de typografie (drukkunst) ook wel minuskel of onderkast genoemd. De primaire zone is de ‘rompzone’.

De één-zoneletter is de KAPITAAL, waarbij alle letters even hoog zijn.

kapitaal


Hier het schema met de allerbelangrijkste termen.

Hoofdletters of KAPITALEN en het doorverbonden karakter van het verbonden schrift

In de Renaissance, de periode waarin de kwaliteiten van zowel de drukletters als het handschrift voor de West-Europese maatschappij werden vastgesteld, werden Romeinse kapitaalvormen gebruikt als hoofdletter. Deze werden los (zelfs op enige afstand) geplaatst aan het begin van de zin, terwijl de overige letters wél werden verbonden.

De reden hiervoor was, dat de functie van de KAPITAAL, als ‘hoofdletter’, verstevigd en verduidelijkt werd. De letter werd hierdoor belangrijker doordat hij duidelijker onderscheiden was.
Door deze letter te verbinden worden twee feiten genegeerd:
1. De letter is door zijn ‘losse streken-structuur’ niet geschikt voor verbinden.
2. De afzonderlijke positie van de ‘hoofdletterfunctie’ wordt hiermee ongedaan gemaakt.
De KAPITALEN zíjn nu eenmaal geen familie van de rest van de letters, ze nemen als ‘hoofdletter’ een belangrijker functie in en ‘verschil moet er wezen’.


“Een hoofdletter moet zo min mogelijk lijken op een ‘kleine letter”

Daar komt nog bij, dat KAPITALEN niet meer dan 1% van de totale tekst innemen, zodat het ’t doorverbondene karakter van de geschreven tekst totaal niet kan doorbreken. Integendeel, juist ná het beëindigen van een gedachte, een zin, wordt een punt geplaatst (ook een los teken) en ontstaat een nieuwe gedachte, een nieuw zin. Daar wordt éénmaal een bijzondere letter geplaatst die dit begin juist door zijn andere structuur, vorm èn positie benadrukt.

We zien hier een oud handschrift uit het archief. De hoofdletters worden niet aan het woord verbonden: 

null

Het is voor kinderen ook niet logisch om kapitalen te laten verbinden. Je kunt niet de kapitalen de ene keer niet laten verbinden en de andere keren wél.

Ook voor volwassenen, zelfs al wordt er aan elkaar geschreven, is het na een tijdje niet logisch meer om de ‘hoofdletter’ aan de rest van het woord te verbinden.
De ‘oude’ hoofdlettervormen die je vaak in methodes gebruikt zien worden zijn vaak verkeerde afleidingen (vergrotingen) van kleine letters (minuskels) of voorzien van onderlussen en vaak zijn verschillende lettervormen blijvend ongeschikt om verbonden te worden. (1/3 deel van het alfabet, V, W, O, B, D, F, T, S, P is nog steeds niet verbindingsgeschikt). Een verbinding van een KAPITAAL of ‘hoofdletter’ aan de volgende letter kan dus beter achterwege blijven.

null
Oudere kinderen en volwassenen gaan doorgaans over op het niet meer verbinden van de ‘hoofdletters’.

OPHALEN EN NEERHALEN

Het lopend schrift bestaat uit op- en neerhalen. De neerhalen zijn de allerbelangrijkste onderdelen van de letters, waar de herkenbaarheid van afhangt.

De ophalen doen niet mee aan de herkenbaarheid en zijn daar in feite zelfs een lichte bedreiging voor.
Ze hebben alleen maar de functie om de letters te verbinden zonder de pen op te tillen en hebben daarmee een ‘lopend’ belang.

Om de herkenbaarheid van de neerhalen zo groot mogelijk te houden, schrijven we de neerhalen (ook de gebogen neerhalen) evenwijdig (zie m.n. het derde woord ‘uren’).
Om de optische eenheid van de neerhalen te versterken is het van belang dat de ophalen niet een gelijke richting hebben (niet evenwijdig zijn)[zie eerste woord ‘uren’].

Daar komt nog bij, dat de stand (hellinghoek) van de ophalen wordt bepaald door de juiste afstand van de letters. Die letterafstand moet zo zijn gekozen, dat de ruimte binnen de letterromp en daartussen (letterspatie) evenredig is. De ophaalrichting is dus afhankelijk van de juiste letterspatie, waardoor de ophaalrichting voortdurend zal variëren (zie eerste woord ‘uren’).

null

Als de ophaalrichting wél gelijk wordt gemaakt, ontstaat het tweede woord ‘uren’. In dat geval wordt een juiste letterspatiëring genegeerd.
Door de ophalen evenwijdig te maken ontstaat een zeer onregelmatige letterspatie en wordt het schrift onregelmatig van vormgeving. Helaas schrijven de meeste schrijfmethodes een gelijke ophaalrichting voor, waardoor de letterafstand doorgaans te groot wordt.

De oude t en de nieuwe t
Een verwoede discussie treedt altijd weer op over de uitvoeringwijze van de letter t in verbonden schrift.
Daarbij worden twee lettervormen vergeleken: de doorverbonden (ook wel verbindingsconsequente) t en de ’t met losse dwarsstreek’ of ook wel de blokschrift-t.

Uit de omschrijvingen hierboven kunt u al wel halen hoe het eigenlijk precies zit met die letters t. Maar… wat zijn dan precies de feiten rondom die twee t-vormen?
Allereerst moeten we vaststellen dat de oorspronkelijke lettervormen de ROMEINSE KAPITALEN zijn.

null

Alle andere westerse aanpassingen van deze letters zijn door omstandigheden ontstaan.

AANPASSINGEN
Er zijn vele aanpassingen gedaan. Soms aan het gebruikte materiaal waaróp of waarméé geschreven werd, soms aan de daarmee samenhangende kosten (bijv. de versmalling van de letters) soms aan de snelheid van uitvoering.
Altijd zijn die aanpassingen ‘passend’ bij het gekozen systeem.

Als we het over verbonden schrift hebben, moeten we kijken naar de systematiek, van de aanpassing aan de verbindingsmogelijkheden. Sommige letters hoeven, om ze te kunnen verbinden met de volgende letter, niet te worden aangepast. Andere letters daarentegen zijn niet echt geschikt om te worden verbonden.
Vanaf het toepassen van de industrieel gemaakte stalen pen (zeg maar kroontjespen; rond 1830) was een verbinding noodzakelijk. Met deze pen is ‘los schrijven’ eigenlijk geen vlot uitvoerbare mogelijkheid. Wie de techniek kent (en dat is eigenlijk een voorwaarde voor deze discussie) weet dat dit schrijfmateriaal niet gemaakt is voor onverbonden schrift. Dat komt omdat de dunne, scherpe penpunt niet geschikt is voor herhaalde plaatsing van lettertekens (en dat doet zich bij los schrijven voor).
Er werd dus met één doorgaande lijn geschreven en tijdens het schrijven van het woord is een onderbreking dan niet nodig. Alle letters werden daaraan aangepast. Het ‘aan elkaar schrijven’ heeft een aantal voordelen.

– Er is automatisch woordverband,
– Er is altijd enige afstand tussen de letters,
– De pen hoeft doorgaans maar één keer per woord aangezet te worden
Een nieuwe letter begint doodeenvoudig daar waar de oude ophoudt.

Laten we daarom eens kijken naar de verbindingsgeschiktheid van de minuskels (kleine letters).

Verbindingsgeschiktheid van de minuskels

1. Letters die geschikt waren om verbonden te worden (dus zonder de lettervorm wezenlijk aan te hoeven tasten) zijn bijvoorbeeld de e, n, m,u, a, d, en o.
Voor de stokletters die de bovenstok vóór de romp hadden, werd een ‘bovenlus’ gemaakt voor de verbinding (b, h, k, l). Voor de stokletters die de onderstok ná de letterromp hadden werd ook een lus gemaakt voor de verbinding (g, j)
2. Minder geschikt waren de letters s, en r. De s, omdat er twee kerende bochten ontstonden met bedekkende streken, die lastig uit te voeren waren. Doorgaans werd de kop van de s niet meer van een boog voorzien, zodat alleen onderaan nog een kerende en bedekkende streek moest worden uitgevoerd.
De letter r eindigde niet onderin de rompzone en werd daarom lastig bij het doorverbinden met bijv. een letter als e. Een verbindingshaal van boven naar beneden gaf geen fraai resultaat en men keerde stok en vlag om, zodat de letter r weer goed kon worden verbonden.

3. De letters v en w werden van bochten voorzien om meer vormovereenkomst met de andere aanpassingen tot stand te brengen.

4. De lastigste letters die overbleven waren de letters f en t.
Van de bovenboog van de f werd een lus gemaakt. De onderstok eindigde soms op, soms ónder de grondlijn. Die onderstok of -boog kon niet eenvoudig worden doorgelust als een j of g, omdat daarmee een andere lettervorm ontstond: de eeuwen in gebruik zijnde ‘lange s’, die in en niet aan het eind van een woord werd toegepast.

null

Daarom werd voor een onderlus in schrijfrichting gekozen.
Daarmee werd de oorspronkelijke lettervorm wel sterk veranderd, maar dat was op zich geen nieuws in de ontwikkelingsgeschiedenis van de lettervormen. Als we bijvoorbeeld kijken naar de druklettervorm van de g en die vergelijken met de G van de Romeinse kapitaal, dan kunnen we daar net zo goed van een metamorfose spreken.

Blijft dus nog over de t. Het zal wel altijd onbegrijpelijk blijven waarom de letter ‘t’ in zijn verbonden vorm ‘het gedaan heeft’, maar vermoedelijk zijn diverse schrijfmethoden, die de ontstaansgeschiedenis van deze lettervormen niet voldoende kenden, hier medeverantwoordelijk voor geweest.

t
De Renaissance-t had een losse dwarsstreep (op romphoogte).
null
Daardoor is deze letter, net zoals de f, niet te verbinden zonder aanpassing. Terwijl alle ophalen strak gemaakt worden, moet de ophaal nu gebogen worden omdat anders de aansluiting boven de romphoogte terecht komt.
null
Om het probleem van deze aansluiting van de ophaal met de stok te verkleinen, werd in sommige oude schrijfmethodes de dwarsstreep zelfs boven romphoogte gelegd. Daarbij werd de t-stok onnodig lang gemaakt.

In de loop der eeuwen werd daarvoor een aangepaste t ontworpen. De enkele eeuwen latere t heeft daarbij een verbindingsboog gekregen. Deze mag variëren van grootte, maar blijft binnen de ophaallijn.
null

Vreemd verschijnsel is, dat men de t-dwarsstreep in diverse naschrijfmethodes niet tegen de romplijn schrijft, maar er iets boven. Foutje dus. Hij moet gewoon tegen de romplijn worden geschreven.

null

Wat is nu de ‘oude t’ en wat is de ‘nieuwe ‘t’?
De t uit de Renaissance, die in feite een ‘blokletter t’ is, stamt uit ongeveer 1450. De doorverbonden t ontstond na 1830 en is daarmee de ‘nieuwe t’. Het scheelt dus zo’n vierhonderd jaar.

Wat kan er nog meer over gezegd worden? Waarom hebben sommige mensen moeite met de doorverbonden t-vorm terwijl ze de doorverbonden f en b, die ook allemaal ‘verbouwd’ zijn i.v.m. verbindingsconsequentie, wél accepteren? Het heeft doorgaans alleen maar te maken met wat ze zélf gewend zijn en dus zelf hebben aangeleerd. Kinderen hebben daar minder moeite mee. Die voeren gewoon uit wat ze leren.

Liniatuur in schrijfmethodes

In de meeste schrijfmethodes wordt een inconsequent zoneformaat toegepast. Dit houdt in, dat kinderen in groep 3 en 4 gescheiden liniatuurblokken krijgen aangeboden, waarbij de te lange luszone niet tot een regelverhaking kan leiden.

De hulplijnen worden geleidelijk aan (en doorgaans véél te vroeg) afgebouwd, waarna de lijnafstand verkleind wordt tot ongeveer 8 mm (7,75 mm) Omdat de letters van hetzelfde formaat blijven ontstaat er een probleem.

In feite is het zo dat de ideale letterromphoogte ongeveer 2,5 mm is. Toegepast op de interlinie (regelafstand) van 7,75 mm houdt dit in dat er voor alle letterzones precies 1/3 van de interlinie beschikbaar is.

Als nu de lussen groter van hoogte zijn dan de letterrompen, kunnen de kinderen niet ontkomen aan regelverhaking. Dit is dan ook precies een van de meest voorkomende redenen van handschriftbederf.

null

Het zal duidelijk zijn dat de lus niet langer moet worden dan de letterromp hoog is. Voor elke letterzone precies 1/3 is dé oplossing om het verhaken van de regels te voorkomen en de kinderen een reële kans te geven hun handschrift op verantwoorde wijze te ontwikkelen.
Totnogtoe is er maar één moderne schrijfmethode die op deze wijze de letterzones gelijk verdeeld.
Het is te hopen dat meer schrijfmethodes hier toe over zullen gaan.

Liniatuur in groep 6
null

Doorgaans wordt in groep 6 de hulpliniatuur afgeschaft. Kinderen krijgen dan geen schriften meer met een romplijn boven de grondlijn (zgn. ‘spoorlijnschriften’), maar alleen nog maar een grondlijn. Het moet nu maar eens genoeg zijn met die hulplijnen. Dit besluit wordt meestal groepsgewijs genomen, ook al zijn veel kinderen daar nog lang niet aan toe.

Mogelijk verklaart deze werkwijze de ‘dip’ die we met name in groep 6 in ons handschriftkwaliteitsonderzoek tegenkwamen. We zouden veel adaptiever te werk horen gaan, door de kinderen met een matig tot slecht handschrift voorlopig nog [en misschien wel tot en met groep 8] met extra hulplijnen te laten schrijven. Er is eigenlijk geen enkele reden geldig genoeg om alle kinderen de extra hulplijnen te onthouden.
Als een kalligraaf een goed resultaat wil halen, trekt hij alle denkbare lijnen. Als hij dit niet doet is het resultaat zonder meer minder van kwaliteit.

Voor meer letterkennis kunt u ook hier kijken:

http://issuu.com/typovar/docs/scriptie_screen/59