M. Beckers

Marjan Beckers

“Te klein voor klein kleuren? !”

Marjan Beckers  Eindrapportage over het praktijkonderzoek in het kader van de leerroute Master SEN Motorisch Remedial Teacher/Motorisch Begeleider

Lesplaats: Tilburg Studentnummer: 1379075

Begeleid door: mevr. M.J. de Ridder MA

Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg, Tilburg 2011-2012

Op Internet vinden we, notabene op de website van de ‘grafologen’ een meesterstuk dat een onderzoek beschrijft naar de grafo-cognitieve werkwijze bij het ontwikkelen van een grafische attitude, zoals dat door het dagelijks bestuur van de Stichting Schriftontwikkeling is ontwikkeld.

Al jaren stellen we iedereen gratis ons document over dit belangrijke aspect bij het ontwikkelen van een nauwkeurige grafische attitude bij zeer jonge kinderen ter beschikking.

Een onderzoek naar de toepasbaarheid hiervan juichen we uiteraard toe. De manier waarop dit in dit werkstuk beschreven en tot stand is gekomen helaas niet! Ook zijn we niet tevreden over de begeleidster die de fouten van dit onderzoek toe heeft gestaan.

Om te beginnen citeren we, voor de duidelijkheid, de eerste pagina van dit onderzoeksverslag:

“Hoofdstuk 1 Onderzoeksvraag
1.1 De aanleiding van dit onderzoek 

In de kleutergroepen van de reguliere basisschool waar dit onderzoek plaatsvindt wordt al ruim tien jaar gewerkt met de methode Schrijfdans (Oussoren Voors, 1996). Schrijfdans hanteert het uitgangspunt dat een goed ontwikkelde grote motoriek voorwaarde is om klein en fijn te kunnen werken. Omdat deze methode niet meer aansluit bij huidige inzichten zijn de leerkrachten op zoek naar een nieuwe methode. Naar aanleiding van adviezen van Scholten en Hamerling (2005) ten aanzien van het schrijfonderwijs zijn de leerkrachten nieuwsgierig geworden naar de door hen ontwikkelde werkvorm, klein kleuren en arceren, waarbij met vierjarigen al aan de kleine motoriek gewerkt wordt. De leerkrachten vragen zich af of het uitvoeren van kleine bewegingen met dunne potloden een geschikte activiteit is om met vierjarigen te doen: kun je dit wel leren aan vierjarigen en helpt dit hen bij het leren schrijven? Kan de werkvorm in een groepje worden aangeboden? Deze vragen dagen mij uit om dit in de praktijk te gaan onderzoeken.  

1.2 Doel van het onderzoek
In de kleutergroepen hebben de leerkrachten de intentie om de kinderen goed voor te bereiden op het schrijfonderwijs in groep 3. Door dit onderzoek kan een antwoord worden gevonden op de vraag of klein kleuren en arceren geschikte onderwijsleerstof is voor vierjarigen. Bovendien kan de uitkomst van dit onderzoek het team helpen een goede keuze te maken. 

1.3 Doel in het onderzoek
Het doel is om te onderzoeken of het uitvoeren van kleine ronde kleurbewegingen met dunne potloden de aansturing van de beweging vanuit de schrijfvingers (de buig-strekbeweging) stimuleert. Tevens zal onderzocht worden of deze werkvorm geschikt is om aan te bieden binnen de werklessen zoals deze bij ons op school met de kleuters worden georganiseerd.”

Hier wordt de door Scholten en Hamerling ontworpen werkwijze ‘Klein kleuren en arceren’ als onderzoeksonderwerp aangemerkt, maar een bron hiervoor wordt niet genoemd. Wel worden pagina’s van www.schriftontwikkeling.nl genoemd en het al jaren door ons aangeboden document: “Arceer- en kleuractiviteiten voor het (zeer) jonge kind.”
Om dit document te verbeteren worden jaarlijks kleine aanpassingen aan dit document gedaan.

We begrijpen absoluut niet waarom er tijdens het onderrzoek en het tot stand komen van het ‘meesterstuk’ geen overleg  met ons is geweest, omdat we tenslotte alle masterstudenten die zich met handschriftontwikkeling gaan bezig houden, aanbieden om, geheel gratis,  mee te denken en mee te lezen. Als je zo makkelijk bij de auteurs van een totaal nieuwe werkwijze kunt komen, waarom zou je daar dan geen gebruik van maken?

We vervolgen ok nu weer eerst een groot citaat, omdat hier al heel veel te lezen is over wat er allemaal fout is gegaan in dit onderzoek:

5   Samenvatting
In het voorjaar van 2012 heb ik een experimentonderzoek verricht naar het effect van klein kleuren en arceren op de buig-strekbeweging van de schrijfvingers. Daarnaast is de praktische haalbaarheid van deze werkvorm met vier vierjarigen op een reguliere basisschool uitgeprobeerd. Uitgangspunt en directe aanleiding waren de twijfel bij ervaren groepsleerkrachten of vierjarigen het kleuren van kleine rondjes met dunne kleurpotloden wel zouden kunnen uitvoeren.  De werkvorm ‘klein kleuren en arceren’ is door Scholten en Hamerling ontwikkeld. Zij benadrukken bij de uitvoering het belang van de driepunts pengreep en het voortdurend en consequent corrigeren hiervan door de leerkracht als enige manier om het gestelde doel te bereiken. Bestudering van recent wetenschappelijk onderzoek (Overvelde, et al., 2011) wijst uit dat op meerdere manieren bevorderen van de handvaardigheid ter voorbereiding op het hanteren van schrijfgereedschap belangrijk is.
Naar aanleiding van de bestudering van de werkvorm ‘klein kleuren en arceren’ rees de vraag of deze werkvorm in een reguliere onderwijssituatie toepasbaar is.
Uit de literatuurstudie is naar voren gekomen dat de werkvorm bruikbaar is omdat de opdracht ‘kleur binnen de lijntjes’ de gewenste actie van de schrijfvingers lijkt uit te lokken. Om met succes kleine vakjes in te kleuren wordt de leerling gedwongen tot nauwkeurig werken. Van voortdurende en consequente correctie door de leerkracht kan in een onderwijssituatie met één leerkracht en 24 leerlingen echter geen sprake zijn. Omdat de opdracht nauwkeurig werken uitlokt, past feedback op de uitvoering van de pengreep alleen in de cognitieve (instructie) fase van het leerproces (Fitts en Posner, 1967 in Nijhuis-van der Sanden, 2006). Wordt het gewenste gedrag vertoond (pengreep, kleuren met kleine rondjes) dan kan de feedback gericht worden op het resultaat van de handeling: het binnen de lijntjes kleuren.  De groepsleerkracht geeft er de voorkeur aan de extra oefenvorm ter voorbereiding op het schrijven in te passen in de werklessen waarbij de leerlingen in groepjes van vier aan verschillende taken werken. Om vergelijken mogelijk te maken is het onderzoek uitgevoerd met één groep van vier vierjarigen en één controlegroep van vier vierjarigen. De experimentgroep kreeg na het geven van de instructie de opdracht zelfstandig verder te werken. Met de vierjarigen uit de controlegroep zijn geen extra opdrachten gedaan. Aan het begin en na afloop van de oefenperiode zijn beide groepjes geobserveerd tijdens een kleurtaak en is hun handvaardigheid gemeten met behulp van een test.
Uit de onderzoeksresultaten zijn de volgende conclusies naar voren gekomen: 

*   De vierjarigen uit de experimentgroep kunnen na instructie zelfstandig werken aan een opdracht klein kleuren en arceren 

*   Drie van de vierjarigen uit de experimentgroep volbrengen na de oefenperiode het kleuren binnen de lijntjes met kleine ronde kleurbewegingen met goed resultaat  

*   De taak was voor één vierjarige uit de experimentgroep te moeilijk omdat hij de driepunts pengreep tijdens de kleurtaak niet kon volhouden. Het lukte wel met grote, maar niet om met kleine rondjes te kleuren. 

*   Bij één leerling uit de experimentgroep is bij de meting na afloop van de oefenperiode de buig-strekbeweging van de schrijfvingers zichtbaar 

*   De kinderen in dit onderzoek kwamen niet zelf op het idee om met kleine rondjes te kleuren 

*   Door het kleuren met kleine rondjes lukt het kinderen nauwkeurig te werken  De bevindingen uit dit praktijkonderzoek komen overeen met de uitspraken van leerkrachten van andere scholen die al ervaring hebben opgedaan met klein kleuren en arceren: ‘het kan wel maar niet met alle kinderen’. De groepsleerkracht van de onderzoeksschool is verrast door de uitkomst van het onderzoek en gaat klein kleuren en arceren toevoegen aan het onderwijsprogramma ter voorbereiding op het schrijven. De werkvorm zal gedaan worden met kinderen die de driepunts pengreep tijdens de kleurtaken enige tijd kunnen volhouden. Lukt dit niet dan worden eerst nog andere oefeningen gedaan om de handvaardigheid ter voorbereiding van de hand op het hanteren van schrijfmateriaal te verbeteren.”  

Een aantal opmerkingen over de hier beschreven aspecten van het onderzoek:

1. Een onderzoek onder vier kinderen (met nog een controlegroep van vier kinderen) is geen onderzoek. Daarmee kunnen geen valide resultaten worden bereikt. Daarnaast beschouwen we de volgende ‘gender’-suggestie in dit verband als grotesk:

“De meisjes in dit onderzoek waren meteen in staat tot het maken van kleine rondjes. De jongens moesten hiervoor iets meer geduld opbrengen. De ene jongen uit de experimentgroep vergat het vaak in zijn ijver om snel te kleuren, de ander probeerde het
uit alle macht maar het was erg duidelijk dat zijn vingers de beweging nog niet konden sturen.”

We voerden al aan dat zelfvertrouwen een essentiële rol speelt in het behalen van succes. Bekend is vanuit onderzoek dat, zoals prof. John Hattie het in zijn onvolprezen boek ‘Visible Learning’ zegt “that males and females are similar on most, but not all, psychological variables. They are more alike than they are different. The evidence for this claim is overwhelming. (Hattie J.; “Visible Learning”2010 Routledge; p 55 Gender)
We tekenen bezwaar aan tegen het voortdurend als minder vermogend stigmatiseren van jongens door leerkrachten (vaak vrouwen).
Mindere (motorische) vermogens zijn nog nooit vastgesteld van zowel jongens als meisjes. Uitvoerende instrumentalisten hebben door de eeuwen heen laten zien dat er op motorisch gebied geen behendigheidsverschillen vast te stellen zijn. Verschillen tussen het gedrag van jongens en meisjes worden voor het grootste deel bepaald door hun omgeving. Wij hebben op diverse scholen laten zien dat we een bij jongens voorkomende ‘voorgewende onverschilligheid’ (stoer gedrag) t.a.v. de kwaliteit van het handschrift heel makkelijk konden doorbreken door uitdagende opdrachten aan de jongens te stellen en ze daarmee tot een vrijwel perfecte uitvoering op micro-niveau konden brengen. Ook een eenvoudige ‘naald-en-draad-proef’ in een aantal groepen gaf een fifty-fifty-uitslag. 

2. Het kleuren en arceren is een totaalactiviteit ter ontwikkeling van de nauwkeurige grafische attitude. Het toepassen van de driepuntsgreep daarbij is een uitgangspunt. Het is zéér eenvoudig om ELK KIND de goede greep voor te doen en als spelregel vervolgens toe te laten passen. Wie dat niet bij alle kinderen bereikt kan het dus kennelijk niet aan elk kind leren. Dit heeft niet met het onvermogen van het kind, maar van de begeleider/leerkracht te maken.
Als er een totaalwerkwijze van kleuren èn arceren door ons wordt voorgesteld, dan is het merkwaardig dat alleen de helft (kleuren) ervan wordt toegepast en er vervolgens toch slotconclusies aan worden verbonden. We zullen in het vervolg van deze pagina nog eens heel duidelijk uiteenzetten, waarom de combinatie kleuren en arceren een totaalwerkwijze behelst en wat nu precies daar de essentie van is.

3. Anneloes Overvelde, fysiotherapeut, als bron gebruiken, die niet over een kwaliteitsspecificatie op het vakgebied van lettervormgeving en de bijbehorende didactiek beschikt, is vragen om problemen. Zeker als er een beoordeling moet worden gegeven over een geheel nieuwe werkwijze, die door vakkundigen op het gebied van lettervormgeving is ontwikkeld.
In het kort: genoemde mevrouw weet er niets van! Het is sowieso vreemd om voor een totaal andere werkwijze dan de perceptuo-motorische, die de fysiotherapeut van Overvelde praktiseert, als bron te gebruiken voor een werkwijze die juist totaal anders werkt en een alternatief zegt te zijn van de perceptuo-motorische werkwijze.
In ons brondocument over het kleuren en arceren leggen we niet alleen uit hoe deze nieuwe werkwijze in elkaar steekt en wat de relatie van deze combinatie met het Westerse schrift inhoudt, maar we stellen deze werkwijze ook tegenover de effectloze perceptuo-motorische werkwijze van de fysiotherapeuten. Het is dan op zijn zachtst gezegd ‘vreemd’ om deze laatste als bron voor adviezen bij je onderzoek naar de grafo-cognitieve werkwijze te gebruiken.
Als mevrouw van Overvelde een nieuwe fysiotherapeutische behandelwijze ontwikkelt, is wat wij over dat onderwerp zouden kunnen zeggen uiteraard van nul en generlei waarde…! Daarom onthouden wij ons van commentaar op een ander vakgebied en beperken ons tot ons eigen specialisme.

4. Het is duidelijk dat de opvatting van de leerkrachten aanvankelijk is, dat kinderen niet zo klein kunnen kleuren. Ze blijken hiermee volgens de uitkomst van het ‘onderzoek’ de plank duidelijk mis te slaan. Vervolgens wordt de opmerking van hen wél weer serieus genomen ‘dat niet alle kinderen dit zullen kunnen leren’. Eerst menen ze dus dat geen van alle kinderen het kleuren volgens de spelregels kan leren, daarna menen ze weer dat ‘niet alle kinderen’ dit kunnen leren. Waarom zouden ze in het tweede geval dan wél gelijk hebben?

Wij weten overigens dat ze absoluut geen gelijk hebben. Wij kunnen met de in ons document beschreven werkwijze op elke school élk kind deze manier van kleuren aanleren. We kunnen het ook zo zeggen: we hebben dit al aan honderden kinderen geleerd, waaronder kinderen van een SBO-school en kinderen van een Pedagogisch Medisch Instituut en in geen enkel geval was een kind niet in staat om met de juiste greep te kleuren volgens de spelregels van de opdracht.  Wij hadden het dat ene kind uit dat groepje van vier van dit ‘onderzoek’ wel degelijk kunnen leren.

Hier zien we hoe een jongen op de eerste dag op school alleen maar met een vuistgreep leek te kunnen kleuren. Na de door ons ontwikkelde instructiewijze kleurde hij zonder problemen met de juiste greep waarbij alleen de vingers actief zijn. 

Hiermee komen we meteen tot een van de kernproblemen in het huidige onderwijs:

Als een kind iets niet doet, dan betekent dat niet dat het dit niet kán. 

Als leerkracht moet je er in eerste instantie ALTIJD vanuit gaan dat je het dan zelf niet op de goede manier aan het kind hebt voorgedaan/geïnstrueerd.

Als onderwijzer altijd eerst van je eigen falen uitgaan, voorkomt veel gebrek aan zelfvertrouwen bij het kind.

We wijzen er nadrukkkelijk op dat het geleidelijk aan in het onderwijs een automatische reflex geworden is om kinderen, die in eerste instantie iets niet doen zoals we dat voor ogen hebben, ogenblikkelijk als incapabel aan te merken voor die specifieke gewenste handeling. Nog een stap verder en we hebben het gelabeld tot een wetenschappelijk aandoende deficiëntie met een interessante naam.

Nog even ingaande op een deel van het eerste citaat:

De werkvorm ‘klein kleuren en arceren’ is door Scholten en Hamerling ontwikkeld. Zij benadrukken bij de uitvoering het belang van de driepunts pengreep en het voortdurend en consequent corrigeren hiervan door de leerkracht als enige manier om het gestelde doel te bereiken. Bestudering van recent wetenschappelijk onderzoek (Overvelde, et al., 2011) wijst uit dat op meerdere manieren bevorderen van de handvaardigheid ter voorbereiding op het hanteren van schrijfgereedschap belangrijk is.”

Wat doet nu weer dìt citaat van Overvelde hier eigenlijk. Wat zégt het?? Heeft Overvelde deze techniek op de door ons beschreven werkwijze uitgeprobeerd? Dan had ze zich meteen de nietszeggende opmerking kunnen besparen “dat op meerdere manieren bevorderen van de handvaardigheid ter voor bereiding op het hanteren van schrijfgereedschap belangrijk is.”

Om te kunnen schrijven is het handig en vooral logisch om de manier, waarmee de lettervormen van het Westerse schrift zijn ontwikkeld, meteen aan de kinderen aan te leren. Het op meerdere manieren bevorderen van de handvaardigheid ter voorbereiding op het hanteren van schrijfgereedschap’ is verspillen van kostbare tijd. Als je een kind een cultuurspecifieke vaardigheid wilt leren, kun je dat het beste direct doen en met het materiaal dat daarvoor bestemd is. De wijze van het beetpakken van grafisch materiaal is voor een kind aanvankelijk geheel vrij. Daarom ziet het ook geen verschil tussen tekenen en schrijven. De door ons aanbevolen werkwijze bij het kleuren en arceren zorgt er voor dat het kind meteen die driepuntsgreep gewoon gaat vinden tegen de tijd dat het leert schrijven. Insteekmozaïekjes of het werken met klei helpen daar niets bij. We hebben nog geen onderzoek gezien dat dit aantoont.

Als kinderen 2,5 jaar oud zijn is hun motoriek voor alle door ons te instrueren cultureel-specifieke taken geschikt. Dan hangt het van onze manier van instrueren, voordoen, stimuleren, uitdagen, uitleggen, prikkelen, de wijze waarop we het kind aankijken, onze houding, de manier waarop we materialen aanbieden enz. enz. af of het ook gaat lukken. Als kinderen op school komen zijn ze geen 2,5 jaar, maar 4 jaar oud. Dat is nota bene 1,5 jaar ná die ‘volledige motorische rijping’. Dat is dan ook de reden dat het geen enkele zin meer heeft om bijvoorbeeld over een (senso)motorische ontwikkeling te spreken van het schoolkind.  (Zie voor een beter begrip van deze materie vooral ook onze pagina “Motoriek versus Vaardigheid“).

Met kleine rondjes kleuren
Het kleuren met kleine rondjes wordt om een aantal redenen door ons als een goede voorbereiding op den nauwkeurige grafische attitude gezien. Als je goed wilt schrijven, moet je de penpunt gelijkmatig verplaatsen. Dit zogenaamde anti-ballistisch bewegen vind nu precies plaats bij het met kleine rondjes kleuren. De snelheid van de punt is overal ongeveer gelijk, precies zoals een kalligraaf ook zijn penpunt beweegt. Als je een handtekening zet beweeg je ‘ballistisch’. Je verplaatst de penpunt in de rechte lijndelen veel sneller dan in bochten en keerpunten. Als je rondjes draait beheers je dus door die gelijkmatige snelheid, je materiaal veel beter. Je schiet dan ook niet zo snel over de lijntjes die het kleurvlak begrenzen, als wanneer je ‘krassend’ kleurt (ruitenwisserbeweging).

Nog een voordeel van het kleuren met kleine rondjes: je passeert de buitenlijnen van het kleurvlak altijd ‘evenwijdig’. Dat is een extra beveiliging tegen het ‘over de rand schieten’. Het kleuren binnen de lijntjes wordt dus dan om twee redenen eenvoudiger. Ook kinderen die zich inmiddels als grafisch onhandig beschouwen (vaak door opmerkingen uit hun omgeving, maar ook omdat ze zelf hun onvolkomenheid in dit opzicht waarnemen) , beleven door deze wijze van kleuren een update van hun competentiegevoel.

Arceren
De techniek van het arceren bestaat in eerste instantie uit het trekken van lijnen die aan een aantal eigenschappen voldoen:

1. Ze zijn zo recht als maar kan

2. Ze worden evenwijdig aan elkaar getrokken

3. Ze worden op gelijkmatige afstand van elkaar getrokken.

Waarom willen we kleuters deze activiteit laten uitvoeren? Het Westerse schrift is ontwikkeld vanuit een aantal criteria. Het is bijvoorbeeld gebaseerd op de twee enige lijneigenschappen: recht en gebogen. Om gebogen lijntjes te leren uitvoeren is het kleuren met kleine rondjes een uitstekende oefening op het formaat van de later te schrijven lettervormen.
Het Westerse schrift is verder een ‘neerhalen’-schrift. De neerhaal is al vanaf de Romeinse kapitaal de meest essentiële streek. Het lopende schoolschrift bestaat vooral uit neerhalen, die door middel van verbindingshalen binnen en tussen de letter met elkaar tot een doorgaande streek worden verbonden. Alle neerhalen worden optisch versterkt door ze op gelijkmatige afstand te plaatsen en door dit precies evenwijdig te doen. Dit verhoogd niet alleen de herkenbaarheid van die neerhalen, maar veroorzaakt ook een bepaalde rust in de waarneming ervan. Het oog vindt de neerhalen eveneens altijd waar ze worden verwacht.

Om de rechte lijndelen te oefenen in hun rechtheid, evenwijdigheid en gelijkmatigheid van afstand, is het arceren de juiste techniek. Het maken van verbindingshalen wordt hier niet aan toegevoegd, omdat hier eerst een bepaalde cognitieve rijping voor nodig is. Dat komt dus  bewust pas aan de orde als letters eenmaal aangeleerd worden.

Er moet altijd op gelet worden dat de bijbehorende verplaatsingen binnen de buig- strekmogelijkheid van de driepuntsgreep valt. Dat betekent dat er in kleine vlakjes gekleurd wordt (ongeveer het oppervlak van een postzegel) en dat de randen van het te arceren vlak niet veel verder uit elkaar staan dan 1 à 1,5 cm.

In het ‘onderzoek’ van deze ‘master’ is het arceren bewust weggelaten. Zo is de conclusie of de door ons ontwikkelde werkwijze tot een goed resultaat kan leiden niet meer zuiver. We tekenen hiertegen protest aan.

In de inleiding werd geschreven dat de onderzoeksschool aanvankelijk met “Schrijfdans” werkte. Twee belangrijke en absoluut negatiee aspecten bij het werken met “Schrijfdans”  moeten hier worden opgemerkt:

1. Houding en greep

Het kind oefent juist niet vooraf in de juiste houding en met de juiste greep. Het kind staat doorgaans en houdt met vuistgreep of andere verkeerde greep te dik grafisch materiaal vast. Dit terwijl we het kind juist willen voorbereiden op het correct zitten met een bij het Westerse schrift passende greep.

2. Evalueren

Het kind kan zichzelf niet evalueren.

Een kenmerk van al het werk dat kinderen met “Schrijfdans”maken, is, dat het niet door henzelf op adequate en correcte wijze kan worden geëvalueerd. Of je nu de ene dag wat grotere armbewegingen hebt gemaakt tijdens het met twee armen tegelijk bewegen op een bord met in vuistgreep gehouden krijtjes, dan de andere dag, dat maakt niet uit. Er valt geen kwaliteitswinst vast te stellen door het kind. En dat laatste is juist van essentieel belang in goed onderwijs. Het ene kraswerk is ongeveer gelijk aan het andere… Ook tussen de resultaten van verschillende kinderen is nauwelijk door henzelf waar te nemen kwaliteitsverschil vast te stellen.

Echter… bij het kleuren en arceren is dit alles heel nauwkeurig te constateren en te definiëren.

Laten we de punten eens op een rijtje zetten, die een kind kan vaststellen als de door ons ontwikkelde werkwijze om te kleuren en te arceren nauwkeurig wordt uitgewerkt met de kinderen:

Voor kleuren gelden de volgende kwaliteitscriteria:

1.  Binnen de lijntjes kleuren

2.  Geen witte plekjes overlaten

3.  Egaal inkleuren

4.  Rondjes zo klein, dat je ze niet meer terugziet

5.  Bij toonverloop, traploze toonovergang

Voor arceren gelden de volgende kwaliteitscriteria:

1.  Alle lijntjes even recht (of even gebogen)

2.  Alle lijntjes op gelijkmatige afstand (gelijke spatie)

3.  Alle lijntjes evenwijdig

4.  Geen lijntjes laten eindigen dóór de buitenlijnen

5.  Geen lijntjes laten eindigen vóór de buitenlijnen.

Op deze manier kan elk kind na verloop van tijd zelf de kwaliteit van het eindproduct vaststellen.  Zelfreflectie is een gevolg van voortdurend gegeven feedback over de kwaliteit. Kinderen moeten leren zich deze kwaliteitsvragen te stellen en het antwoord erop eerlijk te geven. Zo krijgen ze de gelegenheid om zich te bekwamen en te verbeteren!

UNIEK
Het kleuren met kleine rondjes, niet groter dan de punt van je kleurpotlood, was niet nieuw. Dat bestond al.

Het arceren met rechte streken was niet nieuw. Dat bestond ook al.

Wél uniek is het dat we als Stichting Schriftontwikkeling die twee hebben gecombineerd in relatie tot de kenmerken van het Westerse schrift en daarmee hebben kunnen onderbouwen als een uiterst nuttige voorbereiding op het leren schrijven. Ook uniek is dat kinderen nu hun progressie kunnen evalueren. Wij hebben er voor gezorgd dat voor het eerst zelfevaluatie in het voorbereidend handschriftonderwijs mogelijk is.

Kleur- en arceerwerk van kleuters die dit een half uur daarvoor leerden. 

We raden iedereen aan die met deze compleet nieuwe benadering van het voorbereiden op het leren schrijven wil toepassen om bij ons (geheel gratis) het document met de nauwkeurige beschrijving van de techniek en de instructie ervan aan te vragen. Pas een complete toepassing van de door ons ontwikkelde werkwijze kan instaan voor een succesrijke afwikkeling ervan!

Twee werkwijzen
“Door het omgaan met gereedschappen wordt de ontwikkeling van de motoriek van hand en vingers gestimuleerd. Een voorwerp vanuit de vingers kunnen verstoppen in de handpalm door een samenwerkende actie van duim en vingers of omgekeerd wordt in- handmanipulatie genoemd. Het al of niet beheersen van deze vaardigheid zegt iets over de mogelijke capaciteit van het kind om een pen op de juiste manier te kunnen hanteren. Oefening van deze vaardigheid is nodig zodat het een functionele vaardigheid wordt die in het dagelijks handelen gebruikt kan worden (Exner, 2005 in Hartingsveldt, Cup & Corstens-Mignot, 2006/2010)”

Wat hier staat wordt niet bewezen a.d.h.v. duidelijke onderzoeksresultaten. Het verwijzen naar overeenkomstige opvattingen in de literatuur zegt nog niet dat wat daar staat ook uit onderzoek is verkregen. Bovendien leiden we kinderen niet op tot het vak van ‘goochelaar’. Het is weer het bekende ‘geloof’ in ‘transfer’ van bewegingsoefening. Als je met pinnetjes in je hand oefent zul je beter je pen beetpakken en beter schrijven.

Er zijn in wezen maar twee methodieken om het kind voor te bereiden op het leren schrijven.

1. de perceptuo-motorische werkwijze (Ontwikkeld onder invloed van bewegingsleer en bewegingstherapie)

2. de grafo-cognitieve werkwijze (ontwikkeld door het dagelijks bestuur van de Stichting Schriftontwikkeling en verwerkt in de methode “Schrift”.)

De perceptuo-motorische werkwijze
In de perceptuo-motorische bewegingsleer wordt van algemene ‘transfer’ van resultaat van bewegen uitgegaan. Je oefent met een insteekmozaïekje en een kind kan dan beter tekenen. Of schrijven. Niemand in het basisonderwijs ziet ooit een resultaat van deze aanname. Geen van de bewegingswetenschappers kan dit ooit aantonen. Toch wordt dit geloof heftig beleden door hele motorkisten aan te schaffen en de arme kindertjes met allerlei volkomen zinloze ‘kleine motoriekbevorderende’ activiteiten bezig te houden.

Geheel nieuwe grafo-cognitieve totaalwerkwijze
Wij hebben om kinderen voor te bereiden op het leren schrijven in groep 3 een geheel nieuwe totaalwerkwijze ontwikkeld, ter voorbereiding op het leren schrijven in groep 3. NB Het kleuren met kleine rondjes is niet uniek, het arceren is ook niet uniek, maar de combinatie ervan, gerelateerd aan de westerse lettervormgeving wél.

Eigenlijk horen daar nog extra oefeningen in het nauwkeurig waarnemen en uitvoeren en lettervormverkenningen bij, zoals die uiteindelijk zijn terechtgekomen in de methode “Schrift” die bij ThiemeMeulenhoff is uitgegeven. Wie echter wil ervaren hoe sterk het begeleiden naar een nauwkeurige grafische attitude kan werken heeft voorlopig genoeg aan het door ons ontwikkelde kleur- en arceerprogramma’. Hierin worden geïntegreerd de correcte houding en pengreep toegepast in relatie tot nauwkeurig waarnemen en uitvoeren. We ontwikkelen bij de kinderen een nauwkeurige grafische attitude.

Eenzijdigheid
We betreuren het ook dat deze ‘master’ van ons hele project ‘kleuren en arceren’ alleen het kleuren heeft gekozen tot onderwerp van onderzoek en de overblijvende helft, het arceren heeft genegeerd. Op grond van overwegingen van westerse lettervormgeving hoort dit arceren bij de totaalopzet van dit project. Als je een werkwijze onderzoekt, kun je niet zo maar de helft ervan onderzoeken zonder het geheel geweld aan te doen. We schrijven in ons document dan ook heel duidelijk: “Het arceren wordt gekoppeld aan het leren kleuren.”

Bewust worden van druk
Dat in dat kleur- en arceerprogramma ook gewerkt wordt aan drukverschillen, wordt in dit ‘meesterstuk’ in het geheel niet besproken. Dit is in het handschriftonderwijs het enige programma ter voorbereiding van het leren schrijven in groep 3 dat gerichte aandacht besteed aan door de drie schrijfvingersveroorzaakte drukverschillen en de leerling leert hoe die drukverschillen in het grafisch resultaat zijn waar te nemen.

We leren de kinderen twee aspecten om tot lichter of donkerder kleuren te komen en zo drukverschillen te ervaren:

– Toe- of afname van druk

– Toe- of afname van tijd

– Een combinatie van beide

Zo leren de kinderen tevens ‘grafisch te denken’. Zo leren ze het resultaat van verschillende omstandigheden (tijd en druk) op het grafisch resultaat. Wij kunnen dit (samen met een correcte greep en houding) aan alle kinderen op alle reguliere scholen en SBO-scholen binnen een kwartier aanleren.

De leerkracht

Vreemd vinden we de plaats die de ‘master’ geeft aan het oordeel van de leerkracht:

Ze laat eerst zien dat leerkrachten niet correct zijn in hun verwachting van jonge kinderen, want deze kinderen blijken in de praktijk wel degelijk nauwkeurig te kunnen kleuren met kleine rondjes. Hun aanname was dus behoorlijk incorrect.

Echter, als hen wordt gevraagd naar de haalbaarheid van het klein kleuren, dan weten ze zeker dat dit weer niet voor alle kinderen geldt. De volgende aanname wordt gedebiteerd: er zijn volgens hen kinderen die dit niet kunnen.

Wat maakt dat deze opvatting van meer waarde is dan hun eerdere opvatting? Voorzichtiger en wijzer lijken deze leerkrachten in elk geval niet.
Het huidige onderwijs is opgebouwd uit aannames.

Op diverse scholen inmiddels aangetoond

Wíj weten dat ELK KIND dit kan leren, mits je het goed aanleert en goed voordoet. We hebben dat ook op diverse soorten scholen aangetoond, waaronder reguliere basisscholen, een SBO-school en een Pedagogisch Medisch Instituut. Tenslotte ook nog bij kinderen van 2,5 jaar oud in een peuterzaal.

Bronnenmix

Ook kun je je onderzoek naar een specifieke, nieuw ontworpen werkwijze dan niet gaan mengen met oude opvattingen/bronnen van ondeskundigen/amateurs op het gebied van lettervormgeving.

Fysiotherapeuten als Anneloes Overvelde behoren tot die categorie. Zeker als ze e.e.a. in samenwerking heeft geschreven met ‘van Cauteren en Halfwerk’. Over deze amateurs op het gebied van lettervormgeving had de auteur van dit ‘meesterstuk’ al kunnen lezen op onze website:

http://www.schriftontwikkeling.nl/bespreking-uitgave/bespreking-schrijfmotorische-oefeningen/

Deze daar besproken auteurs behoren tot de paramedische beroepsgroep en die heeft in principe niets met de inhoud van het onderwijs te maken en al zeker niet met handschriftontwikkeling. Schrijven is geen ziekte en een paramedicus kan een handschrift niet ‘beter maken’, alleen al omdat ze niet eens kunnen vaststellen wanneer een handschrift niet voldoet.
Een goed voorbeeld van ‘oefenen om het oefen’, met als geen enkel effect dat de oefening zelf geleidelijk aan steeds beter wordt uitgevoerd, maar dat het 0% invloed heeft op het schrijven is de zogeheten ‘in-handmanipulatie’.

In-handmanipulatie

De grafo-cognitieve werkwijze is in niets te vergelijken met de perceptuo-motorische. De bij ‘bewegingstherapeuten’ en motorisch rmedial teachers geliefde ‘in-handmanipulatie + bij behorende oefeningen, komt in het grafo-cognitieve verhaal in het geheel niet voor. Het is daarom dan ook uiterst vreemd dat bij dit onderzoek naar de werking en mogelijkheden van het ‘kleur- en arceerprogramma’ van de Stichting Schriftontwikkeling het onderwerp ‘in-handmanipulatie’ met behulp van een invultabel onderzocht wordt of een kind in staat is om verschillende aantallen pinnetjes in de hand te verstoppen. Binnen het kleur- en arceerprogramma wordt in geen enkel opzicht hier aan gerefereerd. De ene motorische specifieke taak heeft geen enkele transfer naar een andere. We stellen dan ook dat a.d.h.v. in-handmanipulatie niets gezegd kan worden over of een kind in staat is om een pen te hanteren. Wat er gebeuren moet is dat het kind op adequate en uitdagende wijze geïnstrueerd wordt en dat alles steeds goed wordt voorgedaan. We ervaren het niet als eerlijk als de kleur- en arceer-werkwijze van de Stichting Schriftontwikkeling onderzocht wordt, deze in het onderzoeksverslag wordt gemengd met niet met bewijzen onderbouwde onderzoeksmethoden uit de perceptuo-motorische bewegingsleer.

Ter nadere informatie 

Wat in dit verband ook fout gaat bij bewegingswetenschappers als Overvelde is het volgende:

Om ‘dysgrafie’ (het niet goed kunnen schrijven) aan te tonen worden lettervormgevingscriteria (de verkeerde en niet goed gedefinieerde uiteraard) gebruikt om een kind tot dysgrafisch te diagnosticeren.

Deze bewegingswetenschappers beweren voortdurend dat ‘schrijven’ gelijk aan ‘bewegen’ is, maar beoordelen vervolgens niet het bewegen van de kinderen, maar het grafisch resultaat. Dat is uiterst inconsequent en tevens onwetenschappelijk.
We stellen vast dat het alleen maar de inkomsten dient van al diegenen die hun paramedische tijd aan de inhoud van het handschriftonderwijs besteden.

We moeten niet vergeten dat het basisonderwijs gratis is/hoort te zijn. Door er paramedische bewegingstherapeuten toe te laten, die rekeningen uitschrijven, werken we mee aan de vercommercialisering van het onderwijs.

Mate van vakkundigheid

Het is voor ons ook vreemd om in de literatuurlijst van dit ‘meesterwerk’ een boek als ‘Schrijven vanuit grafo-motorisch perspectief’ van de auteur Alger van Hagen tegen te komen. Zo’n auteur laat door de titel al duidelijk weten alleen om een ‘motorische’ opvatting over het schrijven te geven. Zo’n boek is doodeenvoudig niet te combineren met het onderzoek naar een totaal nieuwe werkwijze.

Op onze website hebben we tenslotte hier al uitgebreid aandacht aan gegeven.

http://schriftontwikkeling.webklik.nl/page/Schrijven%20vanuit%20grafo-motorisch%20perspectief

of

http://www.schriftontwikkeling.nl/bespreking-uitgave/paboboek/

Het komt ons als correct voor dat je specifieke literatuur zoekt bij het gekozen specifieke onderwerp. Echter… over het onderwerp ‘aanbrengen en onderhouden van de nauwkeurige grafische attitude’ is nog geen enkel boek geschreven, behalve dan de literatuur die we daar zélf over geschreven hebben: vele artikelen die op onze oorspronkelijke website te downloaden waren en boeken als ‘Handschriftverbetering’ en het theoretisch- didactische werk ‘Schriftkennis’ (uitgeverij Eduplaza), vooral bedoeld voor de pabo-student en wie de didactiek van het handschrift onderzoekt.

Geen afbeeldingen getoond

We betreuren het ook dat er geen enkele afbeelding te zien is van de kleurresultaten. Wij kunnen aan die resultaten bijvoorbeeld zien of er goed geïnstrueerd is. Het is tenslotte een grafisch onderwerp waarbij een direct verband wordt gelegd tussen het proces en het product. De kwaliteitscriteria zijn heel duidelijk gesteld.

We stellen vast dat sommigen menen dat als je naar een citaat in literatuur verwijst, dit vanzelf onomstotelijk waar is en dat dit ook een vorm van ‘evidence based’ werken is [We zien dit o.a. aan de term ‘evidence statement’ dat door Overvelde cs gebruikt wordt.] Over de juistheid van de gegevens bestaat echter geen enkele zekerheid. Alleen als iets volgens de regels wetenschappelijk is onderzocht zou er een kans bestaan dat de feiten en conclusies correct zijn. Maar we weten dat in het wetenschappelijk onderzoek de verleiding om gegevens te manipuleren behoorlijk groot zijn. Volstrekte zekerheid biedt zoiets dus niet.

Nóg beter dan een wetenschappelijk bewijs kunnen wij leveren: we komen gewoon langs en laten zien dat we elk kind binnen korte tijd van een goede greep en een goede techniek kunnen voorzien.