Bespreking "Schrijfmotorische Oefeningen"

Een praktijkboek met een duidelijke, verhelderende,en vernieuwende theorie

Voorkant

M. van Cauteren Mppt B. Halfwerk Mppt beiden kinderfysiotherapeut (2007; eigen uitgave)

€ 47,50

49 pagina’s

Een kopieerwerkje met plastic ringetjes waar je droevig van wordt. Het bevat 49 pagina’s voor wel € 50. Dat is ongeveer € 1,00 per pagina!! Achterin is een plastic mapje gelijmd, waar zich een cd-rom in bevindt. Hierover later meer.

Teveel droefenis ineens is niet goed voor de lezer. Vanzelf zijn we geïnteresseerd naar wat hier als ‘duidelijk, verhelderend en een vernieuwende theorie’ wordt genoemd. Naast alle nonsens in het handschriftonderwijs dat niet meer weet dan dat ‘schrijven = bewegen’ en vervolgens schrijfpatronen, bewegingspatronen en of naschrijfoefeningen weet te genereren, hebben we nog geen werkelijke vernieuwing gezien.

Misschien dat het nu gaat komen… Het snel doorbladeren van het werkje laat geen enkel voorbeeld van een goed of slecht handschrift zien. Dit doet al weer het ergste vermoeden. Deze waarneming komt geheel overeen met wat we ook al in ons commentaar op het hoofdstuk ‘Motorische schrijfproblemen’ uit het handboek “Kinderfysiotherapie” schreven: opvallend is dat in alle handschriftboeken van bewegingstherapeuten nooit een voorbeeld te zien is van een slecht handschrift en al helemaal nooit van voorbeeld van het resultaat van de zegenende bewegingsoefeningen die tot een verbeterd handschrift hebben geleid. De publicatie begint met een ‘Theoretische verantwoording’. (Een boek kun je dit flodder niet noemen; Zelf zien de auteurs dit kennelijk anders, met hun titeltje ‘Waarom dit boek’.)

“Schrijven is voor iedereen een communicatieve vaardigheid: je deelt iets mee aan een ander. De ontwikkeling van deze vaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van het schrijfresultaat waaronder de leesbaarheid en de schrijfsnelheid (hoeveelheid letters of woorden geschreven in een bepaalde tijd).”

Daar gaan we weer. Er is nog geen lettervorm besproken of het moet al ‘leesbaar’ en ‘snel’ zijn. De essentie van het Westerse schrift zullen we in deze publicatie dus niet aantreffen. Of ‘Schrijven voor iedereen een communicatieve vaardigheid is’ laten we voor de verantwoording van de auteurs. Kinderen zien dat aanvankelijk niet zo. Die zien het schrift als een te verwerven vaardigheid in vormgeven. Hóe maak je die raadselachtig lijkende tekens? De uitleg daarvan is een onderwijskundige taak. Geen taak voor kinderfysiotherapeuten. Dat blijkt in elk geval heel duidelijk uit deze publicatie. Dat het bij slechte handschriften om een onderwijskundige oorzaak gaat, lijkt de auteurs ook wel een reële mogelijkheid: Alleen zien zij het schrijfonderwijs weer als het aanleren van een motorisch proces. In dit boek zullen we tevergeefs een middel vinden om een onderwijskundige aansturing van een vaardigheid (gerichte instructie, uitgaan een cognitief leerproces) van een motorische aansturing te onderscheiden. Om heel duidelijk te zijn: er is geen motorische aansturing bij kinderen, die andere nauwkeurige instrumentele activiteiten ook goed kunnen uitvoeren.

Als een kind in staat is om te tekenen of het eten met mes en vork in de mond te brengen, is er geen reden om aan te nemen dat ze dan niet op voldoende niveau zouden kunnen schrijven. Motoriek bestaat niet op zich. Je kunt de ‘motoriek’ dan ook niet trainen en er is nooit bewezen dat er van transfer sprake is van de ene naar de andere specifieke vaardigheid.

Wel kun je een specifieke instrumentele en daarom cognitieve vaardigheid vergroten. Dat kan door goed te instrueren, goed te evalueren en feedback te geven. Precies op de manier waarop een kind leert gitaar te spelen, kun je het kind ook leren letters vorm te geven. Wie doet alsof er een soort autonome motoriek bestaat, die je alleen maar met een oefenprogrammaatje moet ‘vullen’ en vervolgens weer laten afdraaien, vertekent de werkelijkheid bewust. Waar komt deze denkfout van gigantische omvang toch vandaan? Weet elke ‘motorisch specialist’ dan nog steeds niet dat elke beweging het gevolg is van een neurologische aansturing? Begrijpen ze dan niet dat elke leerkracht in een instrumentele vaardigheid zijn leerlingen alleen cognitief instrueert? Natuurlijk begrijpen ze dat. De fysiotherapeuten kunnen we doorgaans niet tot de domste beroepsbevolking rekenen. Dat ze dan toch steeds weer doen alsof motoriek een afzonderlijk en autonoom bestaat leidt, geeft aan dat er andere motieven een rol spelen.

Wat lezen we in deze inleiding?

“Motorische schrijfstoornissen op basisschool leeftijd blijken veel voor te komen. In de literatuur worden cijfers aangegeven die variëren van 5 tot 25%. Een onderzoek gedaan door Bouwien Smits-Engelsman wijst in de richting van 20%.”

Hoe vaag is dit alles. Het is duidelijk dat kinderfysiotherapeuten zoals deze auteurs niet kijken op een procentje meer of minder. Ook zien we hier weer dat Mevrouw Smits-Engelsman beslist veel slechte invloed heeft op handschriftontwikkeling. Haar adepten babbelen haar zonder kritiek na. Het volgende citaat laat ook weer zien hoe de denkwijze verloopt van mensen die werkelijk menen (of doen alsof…) dat het schrijven van een letter of een woord niet meer is dan het afdraaien van een ‘motorprogramma’, dat door heel veel herhaling in moet slijpen. “De tijd die door leerkrachten werd besteed aan het inoefenen van specifieke letters was voor de kinderen met (motorische) problemen korter dan wat zij nodig hadden.” Dat is het dus, waarom het ene kind slechter schrijft dan het andere… Het ene kind moet ‘de beweging’ gewoon langer herhalen dan het andere. Als een kind dus héél slecht schrijft, dan moet het heel lang de verbeterde bewegingen blijven herhalen.

Ons donkere vermoeden zal in de praktijk nog wel overtroffen worden: er zullen nog heel wat sessies met deze kinderen gevuld worden, om aan voldoende training te komen. Dat herhalen vinden veel niet-onderwijskundigen wel leuk, vooral als het ook nog uitbetaalt. Je hoeft er niet voor na te denken, je hoeft alles met het kind alleen maar te herhalen. (De bijgevoegde cd-rom laat ook zien dat eindeloos herhalen van dezelfde soort oefening het enige is waar zulke gezaghebbende fysiotherapeuten toe in staat zijn. (Zie de animatie van de cd-rom-inhoud iets verderop.)
We horen het argument van ‘herhalen’ en ‘oefening baart kunst’ wel vaker in het onderwijs. Zodra iets niet goed gaat moet de kwantiteit van het oefenen worden verhoogd. Niemand lijkt te bedenken dat je een slechte manier van uitvoeren juist niet vaak moet oefenen, omdat je dan steeds beter wordt in de foute uitvoering!

Toen we eens aan studenten vroegen wat ze zouden doen als na uitleg een paar leerlingen in een groep de uitleg niet konden begrijpen, waren de enige twee antwoorden: ‘herhalen’ en ‘in kleinere stapjes opdelen’. Niemand kwam op het idee om een totaal andere manier van aanleren uit te werken en uit te proberen. Bij het behandelen van ‘schrijfklantjes’ door fysiotherapeuten komt nog een belangrijk voordeel naar voren: Als je het verkeerd doet staat niet meteen de medische tuchtraad voor de deur. Om grondig en snel de in de titel beloofde vernieuwing te achterhalen is het zeker nuttig om het onderdeel ‘Visie’ (pag. 6) te lezen.

Visie

“Vanuit motorisch perspectief kan het schrijven als volgt omschreven worden: Schrijven is een beweging die plaats vindt in een bepaalde ruimte en met een bepaalde richting, met een bepaalde druk, die leidt tot een (letter)vorm, met als doel het achterlaten van een bericht. De kwaliteit van deze fïjnmotorische activiteit bepaalt uiteindelijk het schrijfproduct. Er is nauwelijks tot geen verband tussen de grove motoriek en het schrijfproduct. Wanneer er sprake is van een motorisch schrijfprobleem dan is een gedegen motorisch onderzoek van de kinderfysiotherapeut een voorwaarde. Schrijven ondersteunt het leren lezen, zo blijkt uit onderzoek van Naka. Dit onderzoek maakte duidelijk dat het onthouden van letters beter lukt wanneer kinderen deze letters ook schreven in plaats van alleen lezen. Niet het natekenen van de op zichzelf staande letteronderdelen is dan van belang voor het opslaan in het geheugen (zoals een rondje met een stokje als d), maar vooral het uitvoeren van het gehele motorische letterpatroon. Dit onthouden blijkt beter tot stand te komen in het vloeiend verbonden schrift dan in het onverbonden koordschrift. De motorprogramma’s voor letters die door middel van een doorgaande (ballistische) beweging tot stand komen, worden in de premotorische schors van de hersenen als een sensomotorische representatie opgeslagen. Deze premotorische schors wordt niet alleen bij het schrijven geactiveerd maar ook bij het lezen van letters. De representatie van letters in het brein is daarom niet uitsluitend van visuele aard, maar is ook gebaseerd op een neuraal netwerk met meerdere geheugencomponenten, (zowel visueel, sensomotorisch en auditief. Door het leren lezen en schrijven gelijktijdig aan te bieden in het onderwijs, wordt het schrijven van de schrijfletters verbeterd.”

Nog even: ‘Door het lezen en schrijven gelijktijdig aan te bieden wordt het schrijven van de schrijfletters verbeterd’!! Wát wordt er dan in vredesnaam aan die schrijfletters verbeterd?? We lezen hier geen enkele verklaring bij. Voor ons, lettervormgevingsdeskundigen op handschriftgebied is dit een wezenlijke vraag. We lezen niets over verbetering van bepaalde lettervormgevingsaspecten die deze opmerking rechtvaardigen. U ziet het, om een als wetenschappelijk verantwoord lijkende uitgave te maken is niet meer nodig dan wat jargon te gebruiken, in combinatie met verwijzingen naar zogenaamd wetenschappelijke onderzoeken.
Wat wél waar is, is dat het gecombineerd aanbieden van schrijven en lezen het leren lezen versnelt. In deze fase is het van groot belang het voordeel voor de ene vaardigheid niet ten koste te laten gaan van de andere. Daarom moet de uitvoerder van de leesdidactiek in dit stadium ook de grootst mogelijke aandacht geven aan de lettervormgeving. Zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in de Alfabetcode (zie www.alfabetcode.be)

Het gegeven dat je beter zou gaan lezen als je de letters schrijft is hier regelrecht overgenomen uit het hoofdstuk ‘Motorische schrijfproblemen’ uit het handboek “Kinderfysiotherapie”. Mevrouw Smits-Engelsman haalt daar de Japanse onderzoeker Naka aan. Het is duidelijk dat deze auteurs het onderzoek zelf niet gelezen hebben, anders zouden ze de zware conclusie van hun leermeesteres niet zomaar hebben overgenomen. Het onderzoek van Naka laat alleen maar zien dat het uit het hoofd tekenen van een onlangs geleerd onbekend ‘teken’, beter verloopt als je het al een keer hebt nagetekend toen je het voor het eerst te zien kreeg, dan wanneer je het alleen maar hebt bekeken zonder het na te schrijven.

We lezen in deze visie niets nieuws en ook niets dat al niet in het handboek “Kinderfysiotherapie” te lezen is. Op blz. 27 zien we ineens een ander font gebruikt worden onder de kop Letterfamilies Het gaat om het (heel in de verte) op een handschrift lijkende font ‘Lucida Handwriting’, waarschijnlijk om de naam gekozen. Dit behoort tot de zogeheten ‘scripten’, letters die dus doen denken aan handgeschreven letters. De vormgeving ervan is geheel tegengesteld aan wat we voor een handschrift aan kwaliteit willen stellen. Hier wordt een bijzonder font gebruikt, in de hoop dat de lezer dit als een soort handschriftletter zal willen zien. Waarschijnlijk vanwege de naam hebben de auteurs dit font gekozen: “Lucida Handwriting” Dit font heeft helemaal niets met handschrift te maken. Het is bovendien een bijzonder slecht font, met zeer inconsequente lettervormgeving en een slechte letterspatie.

Letterfamilies???

Amateuristischer zijn we tot op heden nog niet tegengekomen! Ieder die zich met handschriften bezighoudt en meent daarover te kunnen publiceren moet in staat zijn om zelf een verbonden letterfont te maken of te organiseren (ook al gaat onze voorkeur uit naar zelf maken, omdat je dan pas de letter precies kunt vormgeven zoals je hem wilt hebben). En… uiteraard moet je elke letter zo met de hand op modelniveau kunnen maken. Dit letterfont heeft helemaal niets met de schoolletterfonts te maken die in omloop zijn en we begrijpen niet hoe je aan de hand van dit font de letterfamilies duidelijk kunt maken. De schoolletters die het meest gebruikt worden zijn namelijk door lussen verbonden en behalve de g is hier van geen lus sprake. De Amerikaanse z laten we maar even buiten beschouwing. Het is volslagen onduidelijk waarom je deze r en deze z gezamenlijk zou aanbieden. Fysiotherapeuten horen zich helemaal niet met een vakgebied als lettervormgeving in te laten. Het is wel heel duidelijk dat ze hier nog geen kruimeltje kaas van gegeten hebben. Het gebruik maken van dit onbruikbare font doet vermoeden dat de auteurs er absoluut geen heil in zagen hun eigen handschriftvaardigheid in te zetten voor dit handschriftverbeterende boek… (Waarom eigenlijk niet. Van handschrfitspecialisten mag je toch wel een excellent handgeschreven voorbeeld verwachten!

Hoofdstuk 4 Motorisch leren 4.1 Hoe leren kinderen motorisch? “Bij het schrijfonderwijs in Nederland gaat me er van uit dat kinderen, als vanzelfsprekend, het voorbeeld en/of de verbale instructie van de leerkracht overnemen. In de didactiek van het schrijven is nauwelijks aandacht voor het motorisch leren van kinderen.”

We zien hier twee kinderfysiotherapeuten zich volledig bemoeien met het onderwijs.

Een kinderfysiotherapeut word niet geacht kinderen te leren. Dat is een taak van het onderwijs.

Daar komt bij dat bij een instrumentele vaardigheid als het spelen op een muziekinstrument, geen fysiotherapeut zich zal bemoeien met de didactiek van de les. Waarom schrijven deze twee auteurs niet een boek over ‘blokfluitmotorische oefeningen’? Of ‘vioolmotorische oefeningen’?? Tenslotte klinken de eerste oefeningen op een viool of blokfluit vooralsnog ook niet ‘vloeiend’… We kunnen stellen dat juist de bemoeienis van bewegingstherapeuten met de didactiek van een cultureel bepaalde, instrumentele basisvaardigheid precies vastlegt en openbaart hoe het onbegrip van deze niet-deskundigen in elkaar steekt. Schrijven, dat kunnen de meeste volwassenen wel (je moet overigens niet kijken hóe. We horen niet anders dan volwassenen om ons heen zich verontschuldigen voor de kwaliteit van hun handschrift.) Dus … als een kind slecht schrijft, dan kun je je als bewegingsdeskundige daar toch zeker wel even mee bemoeien. Het levert bovendien een aardige duit op en als je het verkeerd doet krijg je ook niet meteen de medische tuchtraad achter je aan.

LITERATUURLIJST

Deze staat bomvol met ‘perceptuo-motorische’ bronnen. Veel literatuur is van voor 2000, soms zelfs uit 1985. We zien tot onze verbazing nog het werkje van B. Muller “Linkshandig schrijven”. Die theorie is toch al lang achterhaald? Een linkshandige hoeft niet meer te doen dan met pen en schrift spiegelbeeldig aan de positie van de rechtshandige plaats te nemen. En wat de perceptuo-motorische werkwijze betreft, waar dit boek stijf van staat: We weten door de meta-analyse van Kavale en Mattson (“One Jumped Off the Balance Beam”) van 180 onderzoeken dat de perceptuo-motorische werkwijze een effectgrootte heeft d=0,05. Verwaarloosbaar klein dus…
We begrijpen nu nog beter, waarom we zo vaak van ouders te horen krijgen dat de fysiotherapeutische behandeling zo weinig effect heeft gesorteerd. Ook zien we tot onze verbazing dat M.A>H. van Cauteren ‘Een scorelijst om motorische aspecten van schrijfmethoden te beoordelen” bij Avans + het licht heeft doen zien. Waarom zou nu eens nooit “Een scorelijst om motorische aspecten van vioolmethoden te beoordelen” verschijnen?? Het antwoord bestaat, zoals u vermoeden kunt, uit twee delen: 1. Er zijn oneindig veel meer mensen die schrijven dan die viool spelen… 2. Deze auteur kan niet excellent vioolspelen. Nu blijkt a.d.h.v. de voorbeelden in dit boek dat dit laatste voor het handschrift van de auteurs ook opgaat. En toch worden er dan boekjes uitgegeven, die suggereren dat deze auteurs alles weten van het handschrift.

BIJLAGEN

Vervolgens zijn er de bijlagen, waarin de onvermijdelijke scorelijsten. Dat zijn die droevig stemmende lijsten, waarin je o.a. mag aanvinken of de dijbenen wel of niet te ver uit elkaar staan. Opvallend is het uitgangspunt dat als je voeten ver onder de tafel uitsteken, het wel eens zou zou kunnen zijn dat de stoel te laag is. Wij zien dat altijd aan het feit dat de bovenbenen naar de knieën toe omhoog lopen, omdat we de kinderen leren de voeten vlak voor de stoel te zetten…

DE CD-ROM

Het boek sluit af met korte beschrijvingen boven aan elk blad (rechts) van de bladen op de cd-rom. Op de cd-rom staan werkbladen. Wat voor vernieuwing kunnen we hiervan verwachten. Niet veel. We kunnen allemaal zelf wel bedenken wat er nodig is om het schrijven goed te kunnen leren. 1. Allereerst een vaardigheid om grafisch binnen de 8 mm (de gebruikelijke liniatuur/lijnafstand op schrijfpapier) binnen die lijnen grafisch te opereren. Als subvaardigheid hiervan is het van belang ook grafisch heel fijn te kunnen handelen binnen de 2,5 mm, de romphoogte van de schrijfletters. 2. Het inzicht dat er rechte en gebogen lijndelen in letters voorkomen. 3. Het doorzien en herkennen van het traject of de route van de letter. Daarbij tevens het doorzien van overlappende en kerende streken. 4. Het herkennen en kunnen toepassen van de belangrijkste lettervormgevingskenmerken Wordt dit alles in de werkbladen van de cd-rom geoefend en uitgelegd? Laten we de inhoud van de cd-rom eens bekijken: Dit zijn de mappen op de cd-rom: 1. Trefzones 2. Grootte-Breedte Instelling 3. Ballistische Bewegingen 1 4. Bolletjes 5. Ballistische Bewegingen 2 6. Voorbeeld Letteropbouw 7. Puntjes Zetten 8. Drukinstelling 9. Ballistische Bewegingen 3 10. Ruitenwisser 11. Boogjes 12 Streepjes 13. Richtings-instelling 14. Golfjes 15. Diversen Een schier eindeloze reeks van werkbladen bladeren we door. Hier ziet u wat de cd-rom aan creativiteit behelst.

Afbeeldingen CD-rom

U ziet doorgaans rechts bovenin het werkblad wat het kind op dit blad geacht wordt te krassen… U begrijpt zelf ook wel dat alle bewegingen die een kind over dermate grote vormen moet maken niets met schrijven te maken hebben, zowel wat het formaat betreft als de nauwkeurigheid. De bewegingen zullen voor het grootste deel vanuit de schouder gemaakt worden. Dat is nu net niet de bewegingsstartlocatie die voor vrijwel elke beweging van het schrijven gebruikt wordt. In het boek wordt achterin per blad aanwijzingen gegeven, waarbij in eerste instantie vaak verwezen wordt naar het theoriedeel van het boek. Zo lezen we op blz. 36:

“Voor de theoretische achtergrond verwijzen we naar hoofdstuk 4, paragraaf 4.4. Ziek ook 4.1 en 4.2”

Het toegepaste principe is vrijwel in alle gevallen: het aanbieden van bredere en minder brede zones, waardoor de leerling ‘speelvrijheid’’wordt geboden in de vereiste nauwkeurigheid. Wat je juist niet moet doen, wordt hier in veelvoud gedaan. We hebben al heel wat kinderen geholpen aan een beter handschrift, maar daarbij zijn we nog geen enkel kind tegengekomen, dat niet in staat bleek om met een pen met naaldpunt tussen twee lijntjes precies twee andere lijntjes te trekken, zonder door de eerste lijntjes heen te schieten. Als we vroegen deze lijntjes ook nog volkomen recht en beide evenwijdig te trekken, dan werden we altijd op onze wenken bediend. Wat je dus met al deze ellende op cd-rom aanmoet is ons niet duidelijk. De bladen zijn doorlopend opgevrolijkt en volgeklikt met de prefab-plaatjes van het PaintShopPro-plaatjespenseel. Ontzettend veel visuele ruis, terwijl juist deze kinderen gebaat zijn bij eenvoud en rust. We begrijpen het wel: een fysiotherapeut heeft geen jarenlange onderwijskundige opleiding genoten en is in dit opzicht dus in wezen niet verder dan elke ouder met een ander dan een onderwijskundig beroep. Maar om je, als ingeschrevene van een kwaliteitsregister voor bewegingstherapeuten, bezig te houden met het vakgebied van anderen, menende dat je die ook nog wat te vertellen hebt op onderwijskundig gebied, gaat in dit geval duidelijk te ver.

Het wordt hoog tijd dat de remedial teachers in het Primair Onderwijs ook een kwaliteitsregister opstarten en voor hun vakgebied opkomen. Bij fysiotherapeuten als van Cauteren en Halfwerk bestaat er in elk geval geen enkel respect voor andermans vakgebied. Wat de onderwerpen betreft: Er wordt drie keer geoefend in ballistische bewegingen. Dit nu is juist wat met kinderen met een slecht handschrift vermeden moet worden. Ballistische bewegingen zijn snelle, niet beheersbare bewegingen. Terwijl het juist gaat om beheersing. Elke kalligraaf weet, dat als je letters goed wilt vormgeven, je ballistische bewegingen moet vermijden. Je moet kinderen juist leren anti-ballistisch te bewegen. Pas dan krijgen ze greep op de lettervormgeving. We hebben indertijd in het Tijdschrift voor Remedial Teaching uitgebreid over deze kwestie geschreven en ook de wetenschappelijke onderbouwing voor ons verhaal is daarin te vinden. Dit artikel is te downloaden op onze website onder de knop ‘Artikelen’ Deze auteurs zeggen het volgende over het ballistisch bewegen (blz. 17):

Kinderen zijn aan vloeiend schrijven toe als de motorische ontwikkeling zover gevorderd is, dat ze de nieuwe letters ballistisch kunnen schrijven. Voor veel kinderen in het basisonderwijs geldt dat ze bij de start in groep 3 in motorisch opzicht nog niet zover zijn; dit geldt in het bijzonder voor kinderen die al bekend zijn met motorische onhandigheid.

Deze laatste zin is kneuterig amateuristisch. Waarschijnlijk bedoelen de auteurs ‘… die al als bekend staan vanwege motorische onhandigheid’ Daar zien we meteen een van de problemen. Als een kind een handeling niet goed uitvoert heet het meteen ‘motorisch onhandig’. Een kind moet vloeiend (wat is dat precies?) en ballistisch (dat is iets anders dan vloeiend) kunnen schrijven. Wat zijn precies de definities van deze begrippen, die kennelijk zo belangrijk zijn? Wat men hier vergeet is dat je pas vaardigheid vertoont als je al jaren lang aan een bepaalde vaardigheid uitvoering geeft. Schrijfpatronen en andere oefeningen in ‘vloeiendheid’ zijn dan ook van een onbeschrijfelijke onnozelheid. Als we vloeiend Spaans wil leren spreken, rest ons niets anders dan heel veel Spaans te spreken. Op den duur zal het dan vloeiend worden, als we tenminste goed door blijven oefenen in het vergroten van onze spreekvaardigheid. Vloeiendheid is een toegift op het vele oefenen. Je kunt geen ‘vloeiendheidsoefeningen vooraf’ doen. We zien dan ook altijd dat kinderen, die deze vloeiendheidsoefeningen veelvuldig hebben moeten uitvoeren, alle vloeiendheid achter zich laten, zodra er letters geschreven moeten worden. Geen wonder, want als je woorden schrijft is elke letter weer anders (doorgaans zijn er hooguit twee letters hetzelfde, achter elkaar) en moet je voor elke letter de juiste constructie bedenken. Dat kan in groep 3 en 4 nog geen ‘vloeiend schrift’ opleveren. Bovendien is ‘vloeiendheid’ geen doel. We zeiden al dat het een bijproduct van het vele oefenen is. Het goed vormgeven van de letters, dát is het doel. Daar komt geen vloeiendheid bij van pas. We zien dan ook in dit werk geen voorbeelden, van wat de auteurs nu bedoelen met vloeiend uitgevoerde letters. Nog een citaat van blz. 17.

Bordoefeningen

Om de schrijfmotorische ontwikkeling bij kinderen te stimuleren kan het nodig zijn op een (school)bord voorbereidende grote en ballistische bewegingen te maken. Doordat het vlak van bewegen anders is dan tijdens het schrijven aan tafel, moet voorzichtigheid betracht worden t.a.v. een mogelijke transfer naar het maken van vormen naar het platte vlak.’

Het schrijven met grote armbewegingen bereidt uiteraard in geen enkel opzicht het schrijven vanuit de drie vingers voor. Wat bedoeld wordt met de ‘transfer van het bord naar het schrijven aan tafel, het maken van vormen naar het platte vlak’ is ons volslagen onduidelijk. Een bord is namelijk ook een plat vlak.

SLOTCONCLUSIE

Het is duidelijk dat (kinder)fysiotherapeuten niets te maken (horen te) hebben met de invulling van een cognitieve instrumentele basisvaardigheid uit het onderwijs. Zelf beweren de fysiotherapeuten dat een kwart van hun clientèle voor handschriftproblemen in behandeling is (congreskrant FysioCongres© 2010). Ethisch uiterst verwerpelijk.
Het is duidelijk overduidelijk dat er veel geld verdiend kan worden aan slecht onderwijs. De onbehoorlijk hoge prijs van deze waardeloze publicatie is een extra bewijs dat de combinatie fysiotherapie en handschriftverbetering geen andere dan een economische is. Het wordt tijd dat het onderwijs zich realiseert dat ze kinderen niet in handen horen te laten vallen van deze beroepsonzuivere therapie. Kinderen kunnen er, als het gaat om het verbeteren van hun handschrift, vrijwel alleen maar schade aan oplopen. In elk geval tast het onnodig hun status en competentie aan. Lees ook onze pagina “Aan de bewegingstherapeuten“. Dit soort e-mails krijgen we wekelijks binnen:

——————————————————————————-

Geachte heer, mevrouw, Graag ontvang ik van u advies en materiaal voor een aantal van mijn leerlingen (vooral jongens!) in de onderbouw van havo en vwo. Deze leerlingen hebben tot groep 7 schrijfles gehad, en stuiten nu op het probleem dat zij te langzaam en onleesbaar schrijven. Naar mijn idee speelt bij allen dat zij ‘cognitief onzeker’ zijn. Sommigen van hen hebben begeleiding gehad van een fysiotherapeut, maar dat heeft niet geholpen. Allen willen graag hun handschrift verbeteren. Ik hoop dat u ons kunt helpen!

Vriendelijke groet,

——————————————————————————-

Diana McGuinness schreef het al:

“Incorrect theories are part and parcel of the scientific process, and, as a rule, theories are revised when contradictory data comes in.” “But incorrect theories can be dangerous when they turn into dogma and have practical and social consequences”.

[Diane McGuinness in “Why our children can’t read” De theorieën van de fysiotherapeuten die zich met een ander vakgebied inlaten, wijzen ons in elk geval duidelijk op deze ‘practical consequenses’.]